28 Daarom riep Jezus, terwijl hij in de tempel onderwees, uit en zei: „GIJ kent mij en ook weet GIJ waar ik vandaan ben.+ Bovendien ben ik niet uit eigen beweging gekomen,+ maar hij die mij gezonden heeft, bestaat werkelijk,+ en GIJ kent hem niet.+
14 Hoe zullen zij echter hem aanroepen in wie zij geen geloof hebben gesteld?+ Hoe zullen zij vervolgens geloof stellen in hem van wie zij niet hebben gehoord? Hoe zullen zij vervolgens horen zonder dat iemand predikt?+
24 Want Christus is niet binnengegaan in een met handen gemaakte heilige plaats,+ een kopie van de werkelijkheid,*+ maar in de hemel zelf,+ om nu ten behoeve van ons voor de persoon van God te verschijnen.+