10 Aäron moet eenmaal per jaar verzoening doen+ voor het altaar door wat bloed van het zondeoffer van de verzoening+ op de hoorns ervan te doen. Dat moet in alle generaties na jullie gebeuren. Het is allerheiligst voor Jehovah.’
14 Hij moet wat bloed van de stier nemen+ en dat met zijn vinger vóór het deksel spatten, aan de oostkant, en hij moet met zijn vinger zeven keer wat van het bloed vóór het deksel spatten.+