SUNAMITISCHE
(Sunami̱tische) [Van (behorend tot) Sunem].
Een inwoonster van Sunem. Abisag, die David verzorgde toen hij oud was, werd een „Sunamitische” genoemd. — 1Kon 1:3, 4, 15; 2:17, 21, 22; zie ABISAG.
Een voorname vrouw uit Sunem die de profeet Elisa gastvrijheid betoonde door hem geregeld van voedsel te voorzien en hem onderdak te verschaffen, wordt niet met name genoemd. Voor haar vriendelijkheid werd zij met een zoon beloond. Toen de jongen enkele jaren later stierf, reed de Sunamitische ongeveer 30 km op een ezelin totdat zij Elisa op de berg Karmel aantrof, waar zij vol smart en bitterheid zei: „Heb ik door bemiddeling van mijn heer soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: ’Gij moet mij geen valse hoop doen koesteren’?” De profeet keerde met haar terug en bad tot Jehovah, waarop de jongen weer tot leven kwam. — 2Kon 4:8-37.
Nadat Elisa de Sunamitische, die inmiddels blijkbaar weduwe geworden was, voor een naderende hongersnood had gewaarschuwd, ging zij met haar huisgezin zeven jaar onder de Filistijnen wonen. Aan het einde van deze periode keerde zij terug, maar ontdekte dat haar bezittingen in beslag genomen waren. Toen de koning de geschiedenis over haar en Elisa vernam, werd alles wat haar toebehoorde, aan haar teruggegeven. — 2Kon 8:1-6.