STEKELSTRUIK, STEKELHAAG
[Hebreeuws: bar·qanimʹ; cheʹdheq]. Met het woord „stekelstruik” wordt een plant met een houtige stengel en dorens of stekels bedoeld, en mogelijk worden er talrijke planten van dit soort door aangeduid. Enkele autoriteiten identificeren de eerstgenoemde Hebreeuwse uitdrukking (bar·qanimʹ) met een plant die in het Arabisch door een verwant woord wordt aangeduid: de Centaurea scoparius, een veelvuldig voorkomende distelachtige plant met doornige uiteinden. Gideon gebruikte stekelig struikgewas toen hij de mannen van Sukkoth strafte omdat zij hadden geweigerd zijn hongerige soldaten tijdens zijn strijd tegen de Midianieten van brood te voorzien. — Recht. 8:6, 7, 16.
In Spreuken 15:19 wordt het pad van de luiaard vergeleken met een „stekelhaag” (of: cheʹdheq), wellicht in de zin dat hij zich bij alles wat hij onderneemt moeilijkheden en netelige problemen voor de geest haalt of inbeeldt en dit als uitvlucht gebruikt om zich dan maar aan inspanning te onttrekken. De rechtvaardige daarentegen vindt dat zijn weg welgebaand is en hem in staat stelt goed vooruit te komen. (Vergelijk Jesaja 40:3.) Doornige planten werden vaak als heg of haag gebruikt, om boom- en wijngaarden tegen dieven en dieren te beschermen (Jes. 5:5). Aangezien stekelplanten vrijwel uitsluitend voor heggen en voor brandstof dienden, bracht het morele verval van de natie Israël de profeet Micha ertoe te zeggen: „De beste van hen is als een stekelstruik, hun oprechtste is erger dan een doornhaag.” — Micha 7:4.