GEBIEDERSSTAF.
Een lange stok die als teken van macht om te gebieden diende. De staf van een gebieder was een symbool van zijn recht om bevelen uit te vaardigen.
Wanneer een gebieder zat, rustte zijn lange staf dikwijls tussen zijn knieën op de grond en leunde tegen de plooi van zijn kleed. Dit verleent een bijzondere betekenis aan de zegen die Jakob op zijn sterfbed over Juda uitsprak: „De scepter zal van Juda niet wijken, noch de gebiedersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt.” — Gen. 49:10.
Op sculptures uit de oudheid staan bepaalde monarchen afgebeeld met een lange staf of een scepter in de hand. Zo is bijvoorbeeld de Assyrische koning Sargon II op een reliëf in zijn paleis te Chorsabad met een staf in zijn hand te zien. Aangezien een „scepter” eveneens een staf of stok is, zou men kunnen denken dat er geen verschil bestaat tussen de „scepter” en de „gebiedersstaf” uit Genesis 49:10. Toch wilde Jakob blijkbaar op een verschil wijzen. Parallelle uitdrukkingen komen in poëtische taal veelvuldig voor. Maar ondanks een zekere overeenkomst ziet men bij een nader onderzoek dat de ene uitdrukking, in vergelijking met de andere, een fijn onderscheid in gedachte overbrengt, waardoor het gezegde dikwijls beter begrepen wordt. Jakob schijnt van deze stijl gebruik te hebben gemaakt toen hij zijn zonen zegende. Met betrekking tot Dan zei hij bijvoorbeeld: „Dan blijke een slang aan de kant van de weg te zijn, een hoornslang aan de kant van het pad” (Gen. 49:17). Hij gebruikte deze parallelle uitdrukkingen in een gunstige betekenis, om aan te tonen dat Dan een gevaar voor de vijanden van Israël zou vormen.
Van God zelf wordt gezegd dat hij de woorden sprak: „Juda is mijn gebiedersstaf” (Ps. 60:7; 108:8). Terwijl de „gebiedersstaf” erop schijnt te duiden dat zijn bezitter een leider met de macht om te gebieden is, betekent de scepter in de hand van een monarch dat hij de hoogste regeringsmacht of koninklijke soevereiniteit bezit (Ps. 45:6). Het gebruik van de uitdrukkingen „scepter” en „gebiedersstaf” in Genesis 49:10 geeft dus blijkbaar te kennen dat de stam Juda aanzienlijke autoriteit en macht zou ontvangen. Het hield klaarblijkelijk meer in dan louter autoriteit en heerschappij binnen de stam, want Silo, aan wie „de gehoorzaamheid der volken” zou behoren, zou uit de stam Juda komen. Dat duidt op koninklijke autoriteit en macht over de volken. Toen David, een nakomeling van Juda, koning van Israël werd, kwamen de scepter en de gebiedersstaf in het bezit van de stam Juda, en daarvan zouden ze tot aan de komst van Silo, de Messias, niet wijken (2 Sam. 7:8-16). God heeft de beloofde Silo, Jezus Christus, een nakomeling van Juda en David, inderdaad als „een leider en gebieder voor de nationale groepen” gegeven (Jes. 55:4). Er was voorzegd dat deze Messiaanse Heerser macht en heerschappij over de natiën en volken zou uitoefenen (Ps. 2:8, 9; Dan. 7:13, 14). Derhalve bezit hij niet alleen de „scepter” of koninklijke soevereiniteit, maar ook de „gebiedersstaf”, de macht om te gebieden. — Zie SILO nr. 1.