EDELMOEDIGHEID.
De edele, warmhartige bereidheid anderen te zegenen doordat men hun royaal, met open hand, vrijelijk geeft. Deze betekenis brachten bijbelschrijvers dikwijls in hun geschriften tot uitdrukking — een diepere betekenis dan gewoonlijk in onze Nederlandse woorden „edelmoedig” of „vrijgevig” opgesloten ligt. Jehovah is de edelmoedigheid in eigen persoon. Hij voorziet volledig in alle behoeften van zijn gehoorzame schepselen „overeenkomstig zijn wil” (1 Joh. 5:14; Fil. 4:19). Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van hem afkomstig, met inbegrip van abstracte gaven zoals wijsheid. — Jak. 1:5, 17.
Mozes drong er bij zijn mede-Israëlieten op aan deze goddelijke eigenschap edelmoedigheid aan te kweken, zelfs als het een lening op onderpand betrof (Deut. 15:7-11). De spreukendichter zegt: „De edelmoedige ziel [letterlijk: „de ziel met een zegengeschenk”] zal zelf vet gemaakt worden, en wie anderen rijkelijk laaft, zal ook zelf rijkelijk gelaafd worden” (Spr. 11:25). Jezus Christus drukte dit als volgt uit: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” — Hand. 20:35; zie ook Lukas 6:38.
Merk op dat deze schriftplaatsen over edelmoedigheid en vrijgevigheid niet in tegenspraak zijn met andere teksten waarin ondankbare, luie mensen worden veroordeeld. De luiaard bijvoorbeeld die met koud weer niet wil ploegen, verdient geen hulp wanneer hij in de oogsttijd bedelt; wie weigert te werken, heeft geen recht op de edelmoedigheid van anderen (Spr. 20:4; 2 Thess. 3:10). Weduwen dienden alleen op de lijst van hulpbehoevenden te worden geplaatst als zij aan bepaalde voorwaarden voldeden (1 Tim. 5:9, 10). De vrijwillige gaven die de gemeenten in Galatië, Macedonië en Achaje schonken, waren niet voor de behoeftigen onder de heidense aanbidders in het algemeen bestemd, maar voor „de heiligen” die in nood verkeerden. — 1 Kor. 16:1; 2 Kor. 9:1, 2; zie ook Romeinen 12:8; 2 Korinthiërs 8:1-4; 9:6-13; Hebreeën 13:16.