DOOSJE MET SCHRIFTPLAATSEN.
Een doosje waarin zich vier gedeelten van de Wet bevonden (Ex. 13:1-16; Deut. 6:4-9; 11:13-21) en dat door joodse mannen op het voorhoofd en op de linkerarm werd gedragen. Over het gebruik om dergelijke doosjes of gebedsriemen te dragen, staat in The Jewish Encyclopedia (uitgave van 1905, Deel X, blz. 21): „Het dragen van gebedsriemen werd door de Rabbi’s voorgeschreven op grond van vier bijbelse passages (Deut. vi. 8, xi. 18; Ex. xiii. 9, 16). Hoewel deze passages door de meeste commentators letterlijk werden uitgelegd . . ., waren de Rabbi’s van oordeel dat in de bijbel slechts de algemene wet tot uitdrukking werd gebracht en dat de toepassing en interpretatie ervan geheel en al een kwestie van traditie en gemaakte gevolgtrekkingen was.”
Christus Jezus verweet de schriftgeleerden en Farizeeën dat zij ’de doosjes met schriftplaatsen die zij als beschermmiddel droegen, verbreedden’ (Matth. 23:5). Door deze doosjes groter te maken, wilden zij bij anderen klaarblijkelijk de indruk wekken dat zij zich bijzonder ijverig en nauwgezet aan de Wet hielden. Jezus’ woorden geven te kennen dat de religieuze leiders deze doosjes als beschermmiddel of amulet beschouwden. Het Griekse woord fu·lak·teʹri·on betekent in feite voornamelijk een wachtpost, versterking of beschermmiddel. — Zie VOORHOOFDSBAND.