Zal „carrière maken” u geluk schenken?
TEGENWOORDIG heerst er in het maatschappelijk leven en de zakenwereld zeer veel wedijver. Sommigen spreken wel van ’een strijd op leven en dood’, en inderdaad wordt er over het algemeen een zware strijd om promotie gevoerd, hetzij om meer geld te verdienen of om meer macht te verkrijgen. Men streeft vurig naar een hoge status in de maatschappij. Maar schenkt dit iemand werkelijk geluk?
Dr. L. J. Peter en R. Hull merken in hun boek The Peter Principle op dat in elke organisatie die een piramide-bouw heeft (dat wil zeggen met de hoogste baan of banen aan de top), over het algemeen bij een ieder de wens leeft hogerop te komen. Hoe belangrijker de titel, des te hoger het maatschappelijk aanzien. Het gevolg hiervan is evenwel, aldus de schrijvers van het boek, dat een ieder uiteindelijk het plafond van zijn kunnen bereikt. Iemand kan in een minder belangrijke baan bijzonder bekwaam zijn, maar de organisatie is geneigd dergelijke personen net zo lang promotie te schenken tot ze een positie bekleden die ze niet aankunnen.
Het boek geeft verscheidene enigszins humoristische maar niettemin realistische voorbeelden, waaronder het volgende:
„E. Tinker was als leerjongen bij het G. Reece Autoreparatiebedrijf bijzonder ijverig en vlug van begrip, en klom al snel op tot automonteur. In deze betrekking toonde hij zich buitengewoon bekwaam in het opsporen van verborgen mankementen, die hij vervolgens met oneindig geduld repareerde. Hij kreeg promotie en werd voorman van de reparatiewerkplaats.
Maar hier worden zijn liefde voor mechanische dingen en zijn perfectiedrang hinderlijke belemmeringen. Hij zal ieder karwei op zich nemen dat hem interessant toeschijnt, hoe druk het in de werkplaats ook mag zijn. ’We vinden er wel een gaatje voor’, zegt hij. . . .
Hij bemoeit zich voortdurend met het werk. Men treft hem zelden of nooit in zijn kantoor. Hij zit gewoonlijk tot aan zijn ellebogen in een ontmantelde motor, en terwijl de man die het karwei eigenlijk zou moeten opknappen, erbij staat te wachten, zitten andere werklui eromheen in afwachting van een nieuwe werktoewijzing. Bijgevolg is de werkplaats altijd overbelast met werk, heerst er altijd een chaos en is men vaak te laat met de oplevering. Tinker . . . was een bekwaam monteur, maar is nu een onbekwaam voorman.”
Deze toestand — dat personen in leidinggevende posities of werknemers het plafond van hun kunnen bereikt hebben — wordt door Dhr. Peter geclassificeerd als „het syndroom van de laatste promotie”. Gefrustreerd door hun onvermogen, krijgen zulke personen, of zij zich nu wel of niet van de oorzaak bewust zijn, vaak last van maagzweren, een hoge bloeddruk en talloze andere lichamelijke problemen, en zelfs vreemde geestesstoornissen. Hun superieuren zijn meestal niet bereid „hun gezicht te verliezen” door hen naar hun vroegere positie terug te plaatsen, met het gevolg dat zij voor onbepaalde tijd een positie blijven bekleden waarin zij zich niet thuis voelen. Zulke personen genieten aanzien onder degenen die zich niet van hun onvermogen bewust zijn, maar zijn zij ook gelukkig?
Deze situatie is niet nieuw. Koning Salomo, de wijste koning uit de oudheid, sloeg de bezigheden en aspiraties van de mensheid gade. Hij kwam tot de volgende conclusie: „Ikzelf heb al het harde werk en al de bekwaamheid in het werk gezien, dat het de wedijver [of, afgunst] betekent van de een tegenover de ander; ook dit is ijdelheid en een najagen van de wind.” — Pred. 4:4.
In het boek Spreuken had Salomo nog meer over wedijver te zeggen. Van hem is de uitspraak: „Een kalm hart is het leven van het vleselijke organisme, maar jaloezie [of, wedijver] is verrotting voor de beenderen” (Spr. 14:30). Dit verklaart de maagzweren en andere werkelijke lichamelijke kwalen waarvan mensen last krijgen die, gedreven door de geest van afgunst en wedijver, voortdurend naar een hogere positie streven.
Natuurlijk is het niet verkeerd wanneer iemand zijn best probeert te doen en al zijn werk vol overgave doet — wanneer hij zich als het ware krachtig inspant om beter werk te leveren en om, binnen zijn vermogen, grotere prestaties te leveren. Maar in plaats van ons streven hierbij op rijkdom of aanzien te richten, stelt de bijbel ons een ander doel voor ogen. Gods Woord geeft de raad: „Wat gij ook doet, verricht uw werk met geheel uw ziel als voor Jehovah en niet voor mensen, want gij weet dat gij van Jehovah als rechtmatige beloning de erfenis zult ontvangen” (Kol. 3:23, 24). Deze ware beloning, die ook vrede des geestes en tevredenheid omvat, is beter dan een hoge positie gepaard met zorgen.
Jezus Christus waarschuwde voor het streven naar aanzien toen hij zei:
„Wanneer gij door iemand op een bruiloftsfeest wordt uitgenodigd, ga dan niet op de voornaamste plaats liggen [aanliggen aan de etenstafel]. Misschien is er gelijktijdig iemand die voornamer is dan gij, door hem uitgenodigd, en dan zal hij die zowel u als hem heeft uitgenodigd, komen en tot u zeggen: ’Sta de plaats aan deze man af.’ En dan zult gij vol schaamte de minste plaats moeten gaan innemen. Maar ga, wanneer gij wordt uitgenodigd, op de minste plaats aanliggen, opdat wanneer degene die u heeft uitgenodigd, komt, hij tot u zal zeggen: ’Vriend, ga hoger op.’ Dan zal u eer te beurt vallen in het oog van al uw medegasten.” — Luk. 14:8-10.
En zoals het met aanzien is, is het ook met rijkdom. Hoe het degene vergaat die rijkdom tot het doel in zijn leven maakt, wordt door de apostel Paulus beschreven. Hij schreef aan zijn medewerker Timótheüs: „Zij . . . die besloten zijn rijk te worden, vallen in verzoeking en een strik en vele zinneloze en schadelijke begeerten, die de mensen in vernietiging en verderf storten. Want de liefde voor geld is een wortel van allerlei schadelijke dingen, en door hun streven op die liefde te richten, zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich overal met vele pijnen doorboord” (1 Tim. 6:9, 10). Deze pijnen kunnen lichamelijk, mentaal of geestelijk zijn, en kunnen tot groot ongeluk en verlies van de werkelijk belangrijke dingen in het leven leiden.
Aan de andere kant zei Jezus niet dat mensen geen geld mochten hebben of niet van enkele van de goede materiële dingen van het leven mochten genieten. Hij was geen asceet of kluizenaar. Hij bezocht mensen — en sommigen van hen waren rijk — die hem voor maaltijden en bruiloftsfeesten uitnodigden. Hij had een mantel die naar de mening van de soldaten die hem aan de paal nagelden, waardevol genoeg was om onder vier van hen verdeeld te worden, alsook een onderkleed dat aan één stuk was geweven en dat zij niet in stukken wilden verdelen omdat zij het dan zouden vernielen, maar waarover zij het lot wierpen (Luk. 5:27-29; 19:1-6; Joh. 2:1-10; 19:23, 24). Natuurlijk waren er personen die kritiek op Jezus uitoefenden, omdat hij van deze goede dingen genoot. Hij antwoordde hun:
„Johannes [de Doper] is gekomen, niet etende en niet drinkende, en toch zegt men: ’Hij heeft een demon’; de Zoon des mensen is gekomen, wél etende en wél drinkende, en nog zegt men: ’Ziet! Een vraatzuchtig mens, verslaafd aan het drinken van wijn, een vriend van belastinginners en zondaars.’ Niettemin vindt de wijsheid haar rechtvaardiging in haar werken” (Matth. 11:18, 19). Jezus’ evenwichtigheid in de kwestie en zijn werken bewezen dat hij niet naar rijkdom of aanzien streefde. In werkelijkheid streefden zijn tegenstanders deze dingen na en veroordeelden zij hem overeenkomstig hun eigen corrupte zienswijze.
Niemand dient dus aanmerkingen te maken op iemand die geld heeft of veel verdient. Dat is zíjn zaak. Evenmin dienen anderen afgunstig te zijn op zijn positie of rijkdom. En als de persoon in kwestie niet oneerlijk is en de baas is over zijn rijkdom in plaats van er zelf de slaaf van te zijn, kan hij tevreden zijn. Zo’n persoon zal anderen helpen met wat hij heeft. De apostel Paulus raadt mensen zelfs aan niet onverschillig te zijn en doelloos door het leven te gaan, maar zelfrespect te hebben en een waardevol doel in het leven na te streven. Hij zei dat christenen „door rustig te werken voedsel moeten eten dat zij zelf verdienen” en dat iemand „hard [dient te] werken, door met zijn handen goed werk te doen, opdat hij iets aan de behoeftige kan uitdelen”. — 2 Thess. 3:12; Ef. 4:28.
Door de wijze beginselen van de bijbel — de woorden van de Schepper, die de menselijke aard door en door kent — te leren kennen en toe te passen, kan men groot gewin verwerven in de vorm van tevredenheid en kan men de vele ’pijnen’ vermijden die het deel worden van degene die rijkdom en aanzien nastreeft. — 1 Tim. 6:6, 10.