Vragen van lezers
● Wat bedoelde de apostel Paulus in 2 Korinthiërs 2:15, 16 toen hij naar zichzelf en zijn metgezellen als een „geur” verwees?
De apostel Paulus schreef: „Voor God zijn wij een welriekende geur van Christus onder hen die gered worden en onder hen die vergaan, voor de laatsten een geur uitgaande van dood tot dood, voor de eersten een geur uitgaande van leven tot leven.” — 2 Kor. 2:15, 16.
Deze woorden kunnen beter begrepen worden wanneer wij kenmerken van de Romeinse triomftochten beschouwen. Als het terugkerende zegevierende leger in een optocht door de stad Rome trok, was de lucht vervuld van de geur van wierook dat op tempelaltaren werd gebrand. De geur van die wierook had voor verschillende mensen een verschillende betekenis. Voor de zegevierende soldaten was de geur welriekend en beduidde deze eer, promotie en rijkdom. Maar voor de gevangenen, die zonder genade ontvangen te hebben door de straten werden meegevoerd, was de brandende wierook een onaangename herinnering aan het feit dat zij aan het einde van de optocht terechtgesteld zouden worden. Evenzo was de boodschap die door de apostel Paulus en zijn metgezellen werd bekendgemaakt, als een heerlijke geur voor degenen die de boodschap aanvaardden, maar als een stank voor degenen die ze verwierpen.