Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w81 1/1 blz. 5-9
  • De archeologie bevestigt de bijbel

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De archeologie bevestigt de bijbel
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE OORSPRONG VAN DE WERELD EN VAN DE MENS
  • DE ARCHEOLOGIE EN ABRAHAM
  • EIGENNAMEN BEVESTIGD
  • GEBRUIKEN EN WETTEN
  • DE ARCHEOLOGIE EN DE GRIEKSE GESCHRIFTEN
  • Archeologie
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Archeologie
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Ebla — Een vergeten oude stad wordt weer ontdekt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Abraham — Gods profeet en vriend
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
w81 1/1 blz. 5-9

De archeologie bevestigt de bijbel

TOT trotse mensen die hardnekkig weigerden hem als Messías te erkennen en die zijn discipelen verachtten, zei Jezus: „Indien dezen bleven zwijgen, zouden de stenen het uitroepen” (Luk. 19:40). Gelukkig had Jezus, en heeft hij nog steeds, discipelen die weigeren te zwijgen. Toch heeft men in zekere zin stenen die stille getuigen van bijbelse gebeurtenissen waren, het laten uitroepen doordat ze het bewijs leveren dat de bijbel betrouwbaar is. De wetenschap die zulke stenen ten gunste van de bijbel heeft laten spreken, heet archeologie en wordt gedefinieerd als „de wetenschappelijke studie van de stoffelijke overblijfselen van het verleden.”

Jack Finegan vertelt ons in zijn wetenschappelijke werk Light from the Ancient Past dat „men kan zeggen dat de moderne archeologie haar begin heeft gehad in 1798, toen bijna honderd Franse geleerden en kunstenaars Napoleon op zijn invasie in Egypte vergezelden”. In 1822 slaagde de Franse Egyptoloog Champollion erin de hiërogliefen op de steen van Rosette te ontcijferen. Tegen het einde van de 19de eeuw werden in Egypte, Assyrië, Babylon en Palestina systematisch archeologische opgravingen verricht, en deze zijn tot in deze tijd voortgezet. Heeft de spade van de archeoloog het bijbelse verslag bevestigd?

DE OORSPRONG VAN DE WERELD EN VAN DE MENS

Eén ontdekking die men in Egyptische graftomben heeft gedaan, stelt ons in staat de bijbelse verklaring van de oorsprong van de mens te vergelijken met het scheppingsverslag in een oud Egyptisch Dodenboek, waarvan één exemplaar te zien is in een lange vitrine in het Louvre te Parijs. Louis Speleers, curator van het Cinquantenaire Museum in Brussel, verklaart in het gezaghebbende Supplément au Dictionnaire de la Bible: „Het Dodenboek vertelt dat [de zonnegod] Ra op een dag zijn goddelijke Oog, schijnend in de hemel, achterliet. Sjoe en Tefnet brachten hem zijn Oog terug, dat begon te huilen, en uit de tranen van Ra kwamen mensen te voorschijn.”

Nog een archeologische ontdekking die een interessante vergelijking met het bijbelse verslag mogelijk maakt, is een reeks van zeven kleitabletten die de Enuma elisj, of het Sumerisch-Babylonische „Scheppingsepos” bevatten. Volgens dit oude verslag behaalde Mardoek, de god van de stad Babylon, de overwinning op Tiamat, de godin van de oerzee, en hakte haar in tweeën. „Van de ene helft vormde hij het hemelgewelf, van de andere het vaste aardoppervlak. Na dat gedaan te hebben, organiseerde hij de wereld. . . . Vervolgens, ’opdat de goden in een wereld zouden leven die hun hart vreugde zou schenken’, schiep Mardoek de mensheid.” — Larousse Encyclopedia of Mythology.

Gelooft u dat de mens uit de tranen van Ra is ontstaan? Vele Egyptenaren, die op een hoog peil van beschaving en ontwikkeling stonden, geloofden dit wel. Of kunt u de bewering aanvaarden dat de hemel en de aarde uit het gespleten lichaam van een godin zijn ontstaan? Dit zijn slecht twee voorbeelden van de scheppingsmythen waarin opeenvolgende generaties in voorbijgegane tijden hebben geloofd.

In deze tijd vragen vele zeer ontwikkelde mensen ons te geloven dat het universum en alle levensvormen spontaan zijn ontstaan, zonder tussenkomst van een levend Opperwezen, en dat ondanks het feit dat de Franse geleerde Louis Pasteur afdoend heeft bewezen dat leven uit leven ontstaat. Is het niet logischer het bijbelse verslag te aanvaarden, waarin heel eenvoudig staat dat het stoffelijke universum een uitdrukking is van Gods „dynamische energie” (want Einstein en anderen hebben aangetoond dat materie een vorm van energie is)? En is het niet redelijker de Heilige Schrift te geloven, die laat zien dat alle levensvormen hun bestaan te danken hebben aan God, de grote Bron van het leven, en dat de mens „naar Gods beeld” werd geschapen? — Gen. 1:27; Ps. 36:9; Jes. 40:26-28; Jer. 10:10-13.

DE ARCHEOLOGIE EN ABRAHAM

Abraham speelt in de bijbel een belangrijke rol. Hij is niet alleen de voorvader van alle bijbelschrijvers, van de joden en van vele Arabieren, maar hij wordt ook ’de vader van allen die geloof hebben’ genoemd (Rom. 4:11). Bovendien zouden mensen van alle natiën er belangstelling voor moeten hebben te weten of het bijbelse verslag omtrent Abraham authentiek is. Waarom? Omdat hij degene was aan wie God beloofde: „Door bemiddeling van uw zaad zullen alle natiën der aarde zich stellig zegenen” (Gen. 22:16-18). Indien wij tot degenen wensen te behoren „die geloof hebben” en die door bemiddeling van Abrahams zaad gezegend zullen worden, dan dienen wij de grootste belangstelling te hebben voor bewijsmateriaal dat de nauwkeurigheid aantoont van details die de bijbel over het leven en de dagen van Abraham verschaft.

De bijbel vertelt ons dat Abraham (die toen Abram werd genoemd) opgroeide in „Ur der Chaldeeën” (Gen. 11:27, 28). Is dit een legendarische plaats? Wat hebben de houwelen en de spaden van de archeologen onthuld? Reeds in 1854 werd Ur door J. E. Taylor voorlopig geïdentificeerd als Tell Muqayyir („Asfaltheuvel”), slechts een paar kilometer ten westen van de Eufraat. In 1869 bracht de Franse oriëntalist Jules Oppert verslag uit aan het Collège de France in Parijs en op grond van met spijkerschrift beschreven kleicilinders die daar door Taylor waren gevonden, identificeerde hij de plaats definitief als Ur. Veel later, van 1922 tot 1934, bevestigde de Britse archeoloog Sir Leonard Woolley niet alleen deze identificatie, maar ontdekte hij ook dat het Ur waaruit Abraham wegtrok, een bloeiende stad was met een hoog peil van beschaving, comfortabele huizen en een enorme tempeltoren of zigurrat, gewijd aan de aanbidding van de maangod Nanna of Sin. Historici hadden lange tijd twijfels geuit ten aanzien van de stad Ur waarvan de bijbel in verband met Abraham melding maakt. Maar de spade van de archeoloog heeft bewezen dat de bijbel waar is.

Ook vele gebruiken waarnaar in het bijbelse verslag omtrent Abraham wordt verwezen, zijn door archeologen bevestigd. In Nuzu, of Nuzi, een oude Hoerritische stad ten zuidoosten van Ninevé, zijn bijvoorbeeld kleitabletten gevonden die onder andere de volgende destijds bestaande gebruiken bevestigen: Slaven werden de erfgenaam van kinderloze echtparen (vergelijk Abrahams opmerkingen met betrekking tot zijn slaaf Eliëzer — Genesis 15:1-4); een onvruchtbare vrouw was verplicht haar man een concubine te geven (Sara, of Sarai, gaf Hagar aan Abraham — Genesis 16:1, 2); en zakelijke transacties vonden plaats bij de poort van een stad (vergelijk hoe Abraham het veld en de grot van Machpéla, bij Hebron, kocht — Genesis 23:1-20). Voorbeelden van de wijze waarop de opgravingen in Nuzi de bijbel ondersteunen, beslaan meer dan acht kleingedrukte kolommen in het wetenschappelijke Franse werk Supplément au Dictionnaire de la Bible (Deel VI, kolom 663-672). De Encyclopædia Britannica verklaart: „Dit materiaal uit Nuzi heeft vele moeilijke passages in de patriarchenverhalen van Genesis . . . opgehelderd.”

EIGENNAMEN BEVESTIGD

De Franse archeoloog André Parrot heeft uitgebreide opgravingen verricht op de plaats waar in de oudheid de koninklijke stad Mari, aan de Midden-Eufraat, heeft gelegen. De stadstaat Mari was in het begin van het tweede millennium v.G.T. een van de heersende mogendheden in Opper-Mesopotamië, totdat de stad door de Babylonische koning Hammurabi werd ingenomen en vernietigd. In de ruïnes van het enorme paleis dat daar werd ontdekt, vond het Franse team van archeologen meer dan 20.000 kleitabletten. Sommige van deze spijkerschrifttabletten vermelden steden met de namen Peleg, Serug, Nahor, Terah en Haran. Het is interessant dat al deze namen in het Genesisverslag voorkomen als de namen van Abrahams familieleden. — Gen. 11:17-26.

John Bright geeft in zijn boek History of Israel commentaar op deze overeenkomst van vroegere eigennamen. Hij schrijft: „In geen van deze gevallen gaat het om . . . een vermelding van de bijbelse patriarchen zelf. Maar de overvloed van dergelijke bewijzen in documenten uit die tijd toont duidelijk aan dat hun namen volledig passen in de nomenclatuur van de Amoritische bevolking aan het begin van het tweede millennium, en niet in die van enige latere datum. In dit opzicht zijn de patriarchenverhalen dus volkomen authentiek.”

Onlangs, in 1976, identificeerden Italiaanse en Syrische archeologen de oude stadstaat Ebla, in het noorden van Syrië. Net als Mari wordt Ebla niet in de bijbel vermeld, maar beide namen komen voor in oude teksten die uit de patriarchentijd dateren. Wat heeft de spade van de opgraver derhalve op deze nieuwe plaats aan het licht gebracht? In de bibliotheek van het koninklijke paleis werden duizenden kleitabletten gevonden, die uit het einde van het derde of het begin van het tweede millennium vóór de gewone tijdrekening dateren. Het Franse nieuwsweekblad Le Point bevatte in de uitgave van 19 maart 1979 een reportage over deze ontdekking, waarin het volgende werd gezegd: „De eigennamen vertonen een verbazingwekkende overeenkomst [met die in de Schrift]. In de bijbel vinden wij ’Abraham’, in de Ebla-tabletten ’Ab-ra-um’; Esau — E-sa-um; Michaël — Mi-ki-ilu; David — Da-u-dum; Ismaël — Isj-ma-ilum; Israël — Isj-ra-ilu. De archieven van Ebla bevatten ook de namen Sodom en Gomorra, steden die in de bijbel worden vermeld, maar waarvan de historiciteit lang door geleerden in twijfel is getrokken. . . . Bovendien vermelden de tabletten de steden in precies dezelfde volgorde als waarin ze in het Oude Testament worden genoemd: Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en Bela [Gen. 14:2].” Boyce Rensberger schrijft in de New York Times dat „sommige bijbelgeleerden geloven dat [de Ebla-tabletten] wedijveren met de Dode-Zeerollen wat betreft het verifiëren en vermeerderen van de kennis omtrent het leven in bijbelse . . . tijden”.

GEBRUIKEN EN WETTEN

De archeologie heeft er veel toe bijgedragen gewoonten die in de bijbel worden vermeld, te verklaren, waardoor de nauwkeurigheid van het bijbelse verslag werd aangetoond. Eén voorbeeld hiervan is het verslag in Genesis hoofdstuk 31, waar wordt gezegd dat Jakobs vrouw Rachel „de terafim [stal] die haar vader [Laban] toebehoorden” (31 vs. 19). Het verslag vertelt waarom Laban er zoveel moeite voor deed zijn dochter en haar man zeven dagen lang te achtervolgen: hij deed dit om zijn „goden” terug te krijgen (31 vs. 23, 30). Een interessante archeologische ontdekking in de oude stad Nuzi in Opper-Mesopotamië heeft onthuld dat er een patriarchale wet bestond op grond waarvan een man die in het bezit was van de familiegoden recht kon doen gelden op het grondbezit van zijn overleden schoonvader. Wanneer wij ons herinneren dat Laban een oorspronkelijke bewoner van Noordwest-Mesopotamië was en hoe verraderlijk hij Jakob had behandeld, werpt kennis van deze wet licht op de ongewone diefstal van Rachel en op Labans verwoede pogingen om zijn „goden” terug te krijgen. In het Louvre in Parijs staan verschillende van zulke „huisgoden” ten toon gesteld die in verscheidene steden van Mesopotamië zijn gevonden. Hun geringe afmeting (10 à 15 cm) verklaart ook hoe Rachel de terafim kon verbergen door op een zadelmand, waarin zij ze had gelegd, te gaan zitten en te weigeren op te staan toen Laban zijn speurtocht verrichtte.

Een van de kostbaarste bezittingen van het Louvre is een rechtopstaande zwarte stenen plaat van precies 2,25 m hoog, die algemeen bekend is als de „Codex Hammurabi”. Onder een reliëf waarop koning Hammurabi van Babylon te zien is die autoriteit ontvangt van de zonnegod Sjamasj, staan kolommen met 282 in spijkerschrift geschreven wetten. Aangezien Hammurabi volgens zeggen van 1728 tot 1686 v.G.T. heeft geregeerd, hebben sommige bijbelcritici beweerd dat Mozes, die de wetten van Israël meer dan anderhalve eeuw later heeft opgetekend, deze wetten gewoon uit het wetboek van deze Babylonische koning heeft overgenomen en dus plagiaat heeft gepleegd. W. J. Martin logenstraft deze beschuldiging door in het boek Documents from Old Testament Times het volgende te schrijven:

„Ondanks vele overeenkomsten bestaat er geen reden om aan te nemen dat er in de Hebreeuwse wet ook maar iets rechtstreeks uit de Babylonische wet is overgenomen. Zelfs waar de twee wetstelsels naar de letter weinig van elkaar verschillen, zijn ze naar de geest zeer verschillend. In de Codex Hammurabi werden diefstal en heling bijvoorbeeld met de dood gestraft (Wet 6 en 22), maar in de wetten van Israël moest men als straf het gestolene vergoeden (Ex. 22:1; Lev. 6:1-5). Terwijl de Mozaïsche wet het verbood een ontvluchte slaaf aan zijn meester uit te leveren (Deut. 23:15, 16), werd onder de Babylonische wetten een ieder die een voortvluchtige slaaf in huis nam, met de dood gestraft. — Wet 15, 16, 19.”

In het Supplément au Dictionnaire de la Bible schreef de Franse oriëntalist Joseph Plessis het volgende: „De Hebreeuwse wetgever schijnt geen gebruik te hebben gemaakt van de verschillende wetboeken van Babylonië en Assyrië. Van niets in zijn werk kan worden bewezen dat het overgenomen is. Hoewel er interessante overeenkomsten bestaan, zijn ze van dien aard dat ze gemakkelijk verklaard kunnen worden als het codificeren van gebruiken die mensen met een gemeenschappelijke oorsprong gemeen hadden.”

Terwijl de Codex Hammurabi een geest van vergelding ademt, zegt de Mozaïsche wet: „Gij moogt uw broeder in uw hart niet haten. . . . Gij moogt geen wraak nemen, noch een wrok koesteren tegen de zonen van uw volk; en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf” (Lev. 19:17, 18). Er is dus niet alleen bewezen dat Mozes niets van Hammurabi heeft overgenomen, maar bovendien blijkt uit een vergelijking van de bijbelse wetten met die welke op de door archeologen opgegraven tabletten en zuilen geschreven staan, dat de bijbelse wetten verre superieur zijn aan die van andere volken.

DE ARCHEOLOGIE EN DE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Wat valt er te zeggen over de Griekse Geschriften, algemeen bekend als het „Nieuwe Testament”? Heeft de archeologie de nauwkeurigheid van dit belangrijke gedeelte van de bijbel bevestigd? Er zijn hele boeken geschreven die aantonen dat dit inderdaad het geval is. Reeds in 1890 publiceerde de Franse bijbelgeleerde F. Vigouroux een boek van meer dan 400 bladzijden, getiteld: „Le Nouveau Testament et les découvertes archéologiques modernes” (Het Nieuwe Testament en de hedendaagse archeologische ontdekkingen). In dit boek verschafte hij een overvloed aan bewijzen waardoor de Evangeliën, de Handelingen der Apostelen en de in de Griekse Geschriften vervatte brieven worden ondersteund. In 1895 publiceerde W. M. Ramsay zijn nu klassieke boek St. Paul the Traveller and the Roman Citizen (St. Paulus de reiziger en de Romeinse burger), waarin hij veel waardevol materiaal verschafte waardoor de authenticiteit van de christelijke Griekse Geschriften wordt aangetoond.

In meer recente tijd zijn er vele andere boeken en wetenschappelijke artikelen gepubliceerd die laten zien hoe de archeologie de waarachtigheid van de gehele bijbel heeft aangetoond. E. M. Blaiklock schrijft in zijn boek The Archaeology of the New Testament, dat in 1970 voor het eerst werd gepubliceerd: „Door de frappante wijze waarop de bijbelse geschiedschrijving steeds weer in het gelijk is gesteld, hebben geschiedkundigen geleerd de autoriteit van zowel het Oude als het Nieuwe Testament te respecteren en bewondering te hebben voor de nauwkeurigheid, de intense belangstelling voor waarheid en het geïnspireerde historische inzicht van de verschillende schrijvers die de geschiedenisboeken van de bijbel hebben geschreven.”

Ja, de archeologie vormt duidelijk een ondersteuning van de bijbel. Maar wat valt er over andere terreinen van de wetenschap te zeggen?

[Kaart op blz. 6]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

Haran

Ebla

Mari

Nuzi

Babylon

Lagasj

Ur

Sumer

Perzische Golf

[Illustratie op blz. 6]

Zigurrat die in Ur in het oude Chaldea is blootgelegd

[Illustratie op blz. 7]

Huisgod (gevonden in Lagasj)

[Illustratie op blz. 7]

De Codex Hammurabi

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen