Jezus’ leven en bediening
De wegbereider wordt geboren
ELISABETH moet nu heel binnenkort haar baby krijgen. De afgelopen drie maanden heeft Maria bij haar gelogeerd. Maar nu wordt het voor Maria tijd om afscheid te nemen en de lange reis terug naar haar huis in Nazareth te maken. Over ongeveer zes maanden zal ook zij een baby krijgen.
Kort nadat Maria weggegaan is, wordt Elisabeths kind geboren. Wat een vreugde heerst er als de bevalling goed verloopt en alles in orde is met Elisabeth en de baby! Als Elisabeth de kleine aan haar buren en familie laat zien, zijn zij allemaal blij voor haar.
In Israël moet volgens Gods wet een jongetje op de achtste dag na zijn geboorte besneden worden. Voor die gelegenheid komen er vrienden en familie op bezoek. Zij zeggen dat de jongen Zacharías genoemd moet worden, naar zijn vader. Maar Elisabeth spreekt hen tegen. ’Nee!’ zegt zij. ’Hij moet Johannes worden genoemd.’ De engel Gabriël had immers gezegd dat het kind die naam moest krijgen?
Maar hun vrienden maken bezwaar: ’Zo heet niemand in jullie familie.’ Dan vragen zij in gebarentaal hoe zijn vader de jongen wil noemen. Zacharías vraagt om een schrijftafeltje en schrijft tot verbazing van iedereen: ’Johannes is zijn naam.’
Op hetzelfde ogenblik krijgt Zacharías door een wonder zijn spraak terug. Je herinnert je nog wel dat hij opeens niet meer kon praten omdat hij het niet geloofde toen de engel zei dat Elisabeth een kind zou krijgen. Als Zacharías nu gaat praten, zijn allen die in de buurt wonen verbaasd en zij zeggen onder elkaar: ’Wat zal er toch wel van dit kind worden?’
Zacharías is nu vervuld met heilige geest, en hij voorspelt over zijn zoon: ’Hij zal een profeet van de Allerhoogste worden genoemd, en hij zal voor Jehovah uitgaan en de weg voor hem bereiden. Hij zal het volk vertellen dat zij gered moeten worden doordat hun zonden vergeven worden.’
Intussen is Maria, die klaarblijkelijk nog steeds niet getrouwd is, weer thuisgekomen in Nazareth. Wat zal er met haar gebeuren als het zichtbaar wordt dat zij zwanger is? Lukas 1:56-80; Leviticus 12:2, 3.
◆ Hoeveel ouder dan Jezus was Johannes?
◆ Wat gebeurde er allemaal toen Johannes acht dagen oud was?
◆ Welk werk zou Johannes volgens de voorzegging gaan doen?