Wie kunt u in onze vreeswekkende tijd werkelijk vertrouwen?
„Stelt uw vertrouwen niet op edelen, noch op de zoon van de aardse mens, aan wie geen redding toebehoort.” — PSALM 146:3.
1. Wat is een kenmerk van onze tijd, en welke behoefte blijkt er dus te bestaan?
WANNEER wij vroeger, als kind, wel eens bang waren, zochten wij troost en bescherming bij onze liefhebbende ouders omdat wij hen vertrouwden. Ook als volwassenen hebben wij behoefte aan mensen die wij kunnen vertrouwen. En dit is vooral het geval in deze tijd, nu er zo veel beangstigende dingen gebeuren. Een Westduitse krant zei over onze tijd: „De wereld is als nooit tevoren van vrees vervuld.” Keer op keer hebben staatslieden, journalisten en anderen hun bezorgdheid uitgesproken over de ernstige problemen waarvoor de mensheid zich geplaatst ziet.
2. Hoe zijn de vrees en het gebrek aan vertrouwen voor deze generatie voorzegd?
2 Zulke uitspraken weerspiegelen wat Jezus Christus voor onze tijd voorzei toen hij verklaarde dat die zou worden gekenmerkt door „radeloze angst der natiën, die . . . geen uitweg weten, terwijl de mensen mat worden van vrees en verwachting omtrent de dingen die over de bewoonde aarde komen” (Lukas 21:25, 26). De bijbel voorzei dat er in deze „laatste dagen kritieke tijden zullen aanbreken, die moeilijk zijn door te komen” en dat de mensen ’zichzelf zouden liefhebben, deloyaal zouden zijn en kwaadsprekers en verraders’. Deze uitdrukkingen tonen dat één kenmerk van onze tijd een ernstig gebrek aan vertrouwen zou zijn. — 2 Timótheüs 3:1-4.
Afnemend vertrouwen
3. Welk bewijs is er dat het vertrouwen zich in deze tijd niet heeft kunnen handhaven?
3 In deze vreeswekkende tijd hebben wij dan ook grote behoefte aan mensen die wij kunnen vertrouwen, mensen die loyaal zullen zijn, een steun en toeverlaat in tijden van nood. Maar velen voelen zich in de steek gelaten door degenen die zij vertrouwden. In één land stond de volgende kop boven een kranteartikel: „Mensen vertrouwen bijna geen enkele openbare instelling meer”. Het minste vertrouwen genoten politieke leiders en de topmensen in de zakenwereld. Ook in de gezinskring grijpt het wantrouwen snel om zich heen, zoals blijkt uit hoge echtscheidingscijfers. In sommige landen eindigt één op de drie huwelijken in een echtscheiding, of zelfs al één op de twee. In één land eindigt 70 procent van alle pasgesloten huwelijken binnen de tien jaar in echtscheiding! Steeds vaker dus gaat het vertrouwen te gronde. Het moet het veld ruimen voor wantrouwen. Het is niet ongewoon meer om te horen zeggen: „Ik vertrouw niemand meer.”
4. Hoe zijn veel jonge mensen door vrees beïnvloed?
4 Er heerst tegenwoordig zo veel wantrouwen omdat wij in de meest vreeswekkende tijd van de hele menselijke geschiedenis leven. Deze eeuw heeft twee wereldoorlogen en tientallen andere oorlogen meegemaakt, die aan meer dan honderd miljoen mensen het leven hebben gekost. Nu dreigen kernwapens alle leven op aarde te vernietigen. En dit is van invloed op het vertrouwen van zelfs heel jonge mensen. Een medisch tijdschrift berichtte: „Steeds meer kinderen, ja zelfs kleuters, worden bang voor de dreiging van een nucleaire holocaust.” Een Canadese krant zei dat er thans bij veel jonge mensen „cynisme, droefheid, bitterheid en een gevoel van hulpeloosheid” heerst. Eén jongere zei: „Wij voelen ons gewoon niet beschermd door de volwassen bevolking. Wij zouden wel eens kunnen opgroeien tot de meest cynische generatie aller tijden.”
5. Gesteld dat zij konden spreken, hoe zou de meest onschuldige en weerloze groep kinderen zich uiten?
5 En wat zou een andere groep kinderen te zeggen hebben — als zij konden spreken — over het gevoel dat zij niet worden beschermd door de volwassenen? Wij bedoelen de kinderen die door abortus worden gedood voordat zij zelfs maar geboren zijn. Eén schatting stelt het aantal abortussen wereldwijd op zo’n 55 miljoen per jaar. Wat een schending van het vertrouwen van het meest onschuldige en weerloze deel van de mensheid!
6. Hoe heeft misdaad het wantrouwen in onze tijd doen toenemen?
6 Ook een andere groeiende angst heeft bijgedragen tot de toename van het wantrouwen in onze tijd: de angst het slachtoffer te worden van misdaad. Velen doen nu hetzelfde als de vrouw die zei dat zij ’s nachts altijd met een revolver onder haar kussen slaapt. Een andere bange vrouw zei: „Het maakt mij razend. . . . Mijn grootmoeder deed haar deuren nooit op slot.” Zo schreef een krant in Porto Rico in een redactioneel commentaar: „Degenen die worden opgesloten, zijn wij”, ja, in onze eigen van tralies en sloten voorziene woningen. Deze angsten van de mensen zijn gegrond. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld zal naar schatting één op de drie vrouwen in haar leven een keer worden aangerand. Het hoofd van de Amerikaanse gezondheidsdienst merkte op dat „elk jaar zo’n vier miljoen Amerikanen het slachtoffer worden van ernstig geweld — moord, verkrachting, afranseling van echtgenotes, kindermishandeling, straatroof”. En die misdaden zijn in de meeste landen aan de orde van de dag, met als gevolg dat het vertrouwen van de ene mens in de andere nog meer wordt geschaad.
7. Waarom dragen slechte economische toestanden tot wantrouwen bij?
7 In de ontwikkelingslanden leven de meeste mensen in armoede. Weinigen hebben het vertrouwen dat ook maar iemand hen eruit kan helpen. De president van één zo’n land zei dat er in één provincie 270 van elke 1000 baby’s die ter wereld komen, sterven voor zij één jaar oud zijn. En slechts één op de honderd huizen is van water voorzien. Van een ander land verklaart de regering dat 60 procent van de kinderen in armoede leeft en zeven miljoen in de steek gelaten kinderen „opgroeien als analfabeten, als wereldvreemde en onbruikbare verschoppelingen”! In de Verenigde Staten bedraagt volgens een schatting het aantal dakloze jongeren 500.000, hoewel sommigen beweren dat het werkelijke aantal veel groter is. Hoeveel vertrouwen kunnen zulke jongeren in hun ouders, in de maatschappij, in orde en wet, of in de beloften van leiders stellen?
8. (a) Hoe worden de stabiliteit van rijke landen en de wereldeconomie bedreigd? (b) In welke mate mag men hopen dat de experts economische problemen kunnen oplossen?
8 Economische problemen teisteren zelfs de rijke landen. In een recent jaar hadden de Verenigde Staten het grootste aantal bankfaillissementen sedert de grote crisis van de jaren dertig. Een econoom schreef: „Het netto resultaat is een bankwezen dat thans minstens zo kwetsbaar is als in de jaren twintig”, vlak voordat het ineenstortte. Een waarnemer sprak van „een potentieel verwoestende, naderende storm” in de wereldeconomie. Een ander zei: „Het gevoel van urgentie komt doordat deze overbelasting van het internationale systeem niet langer dreigt; ze is er inmiddels.” Is het vertrouwen gerechtvaardigd dat de economen de natiën uit dit moeras van moeilijkheden zullen leiden? Een van hen zei dat zij er met hun prognoses ’zo afschuwelijk naast geweest zijn dat zij ongetwijfeld voornamelijk verwarring zaaien’.
Misplaatst optimisme
9. (a) Wat is er gebeurd met het optimisme dat bij de eeuwwisseling bestond? (b) Waarom zouden Jehovah’s Getuigen in 1945 geen document van de Verenigde Naties hebben willen ondertekenen?
9 Hoe sterk verschilt dit alles van het optimisme dat er heerste toen de wereld de twintigste eeuw binnenging. Tientallen jaren had er een betrekkelijke vrede geheerst, en men ging ervan uit dat vrede en welvaart nieuwe hoogtepunten zouden bereiken. Maar in 1914 maakte de Eerste Wereldoorlog in één klap een eind aan die verwachting. In 1945 werd, na een nog gruwelijker tweede wereldoorlog, het Handvest der Verenigde Naties ondertekend. De natiën stelden op schrift hoe ze zich een naoorlogse wereld van vrede, welvaart en gerechtigheid voorstelden. Een recent verslag zei: „Het definitieve document werd ondertekend door 51 landen, die elk werelddeel, elk ras en elke religie vertegenwoordigden.” Toch was er één religie die niet vertegenwoordigd was en dat ook niet wilde, namelijk Jehovah’s Getuigen. Zij wisten dat die beloften van vrede, welvaart en gerechtigheid niet verwezenlijkt zouden worden door enige natie van deze wereld, noch door een bundeling van natiën, zoals de Verenigde Naties.
10. Hoe laat de realiteit van thans zich vergelijken met de droom van de Verenigde Naties destijds in 1945?
10 Datzelfde verslag zegt: ’Veertig jaar later lijkt het op zijn plaats de realiteit eens met de idealen te vergelijken. Het bewijsmateriaal is ontnuchterend. Een minder rechtvaardige, minder veilige wereld en toenemende gewelddadigheid vormen de realiteit. Het deel van de wereldbevolking dat voedsel, water, onderdak, gezondheidszorg en onderwijs moet ontberen, groeit gestadig. In de droom van 1945 kwamen deze dingen niet voor.’ Het voegt eraan toe: ’Veertig jaar nadat de natiën de handen ineensloegen om ervoor te zorgen dat alle mensen vrij van vrees en gebrek konden leven, blijkt de realiteit van de jaren tachtig voor ten minste een kwart van de mensheid een verpletterende armoede te zijn. Het aantal sterfgevallen dat met honger verband houdt, bedraagt gemiddeld 50.000 per dag.’ Toch besteden de natiën ieder uur meer dan honderd miljoen dollar aan oorlog!
11. Hoe betrouwbaar zijn menselijke beloften van een betere wereld?
11 Kunnen wij, gezien dit troosteloze beeld na al die eeuwen waarin de mens voldoende kansen heeft gehad, vertrouwen stellen in menselijke beloften dat deze problemen opgelost zullen worden? Zulke beloften zijn ongeveer even betrouwbaar als de woorden van de kapitein van een grote oceaanstomer, die zei: „Ik kan mij geen enkele omstandigheid voorstellen die een [groot] schip tot zinken zou kunnen brengen. . . . De moderne scheepsbouw is dat stadium ontgroeid.” En een bemanningslid van dat schip zei tegen een passagier: „God zelf zou dit schip niet tot zinken kunnen brengen.” Toch is dat schip, de Titanic, in 1912 gezonken en zijn daarbij 1500 mensen omgekomen. In 1931 zei de Nationale Onderwijsraad in de Verenigde Staten dat dank zij het onderwijs „de misdaad vóór 1950 zo goed als uitgeroeid zal zijn”. In 1936 schreef een Britse journalist dat tegen 1960 „voedsel, kleding en onderdak even goedkoop zullen zijn als lucht”. Bent u het er niet mee eens dat de realiteit van thans die beloften logenstraft?
Degene die volledig vertrouwen waard is
12. Wie kunnen wij volledig vertrouwen, en welke leidraad heeft hij ons gegeven?
12 Wij hebben derhalve wanhopig behoefte aan een betrouwbare bron die ons door deze vreeswekkende tijd heen kan leiden. Die bron kan niet van menselijke aard zijn. De mensheid heeft zich in problemen gewerkt die zo groot zijn dat ze er op eigen kracht niet meer uitkomt. De Bron die wij volledig kunnen vertrouwen, is de Schepper van de mensen, Jehovah God. Hij weet waarom de wereld in deze toestand is beland, waar de situatie op uitloopt en wat hij eraan gaat doen. En hij heeft deze inlichtingen onthuld in het boek dat hij ons als leidraad heeft gegeven, de bijbel. In 2 Timótheüs 3:16, 17 wordt over dat boek gezegd: „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid, opdat de mens Gods volkomen bekwaam zij, volledig toegerust voor ieder goed werk.”
13. Wat beseffen Jehovah’s Getuigen ten aanzien van de bijbel?
13 Merk op met welke stelligheid dit gezegd wordt. Gods geïnspireerde Woord zet dingen recht. Het vertelt ons wat juist is. Het maakt ons volkomen bekwaam. Het rust ons volledig toe voor wat goed is. Zeker, velen aanvaarden de bijbel niet voor wat dit boek is — het Woord van God. Maar Jehovah’s Getuigen doen dat wèl (1 Thessalonicenzen 2:13). Wij beseffen dat de Schepper van dit ontzagwekkende universum met zijn miljarden sterrenstelsels en zijn triljoenen sterren beslist in staat is gestalte te geven aan een boek. En hij kan er ook voor zorgen dat het ten behoeve van waarheidszoekers nauwkeurig bewaard blijft. — 1 Petrus 1:25.
14. Hoe is de bijbel in overeenstemming met de huidige realiteit?
14 Wat heeft Gods Woord in onze vreeswekkende tijd over deze kwestie van vertrouwen te zeggen? De uitspraken van de bijbel zijn volledig in overeenstemming met de werkelijke omstandigheden. Jeremia 10:23 merkt heel nauwkeurig op: „Ik weet heel goed, o Jehovah, dat het niet aan de aardse mens is zijn weg te bepalen. Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten.” En Psalm 146:3 geeft ons terecht de dringende aansporing: „Stelt uw vertrouwen niet op edelen, noch op de zoon van de aardse mens, aan wie geen redding toebehoort.”
15. Welke raad geeft de bijbel ons met betrekking tot vertrouwen?
15 Gods Woord waarschuwt ons dat wij zelfs niet op onszelf moeten vertrouwen, omdat mensen onvolmaakt zijn (Romeinen 5:12). Jeremia 17:9 merkt op: „Het hart is verraderlijker dan iets anders.” Vandaar dat in Spreuken 28:26 wordt verklaard: „Hij die op zijn eigen hart vertrouwt, is verstandeloos, maar hij die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.” Waar kunnen wij deze wijsheid vinden die ons in staat zal stellen te ontkomen? Spreuken 9:10 antwoordt: „De vrees voor Jehovah is het begin van wijsheid, en de kennis van de Allerheiligste, dat is verstand.” Ja, alleen de wijsheid van de Schepper kan ons door deze vreeswekkende tijd heen leiden. Daarom wordt in Spreuken 3:5, 6 de raad gegeven: „Vertrouw op Jehovah met heel uw hart en steun niet op uw eigen verstand. Sla in al uw wegen acht op hem, en híj zal uw paden recht maken.”
Gods mening over de religies dezer wereld
16. Welke misvatting huldigen aanhangers van de religies dezer wereld, net zoals de Farizeeën dat in Jezus’ tijd deden?
16 Deze van God afkomstige wijsheid zal ons in staat stellen de doodaanbrengende valstrik te mijden waarin de religies dezer wereld terecht zijn gekomen. De aanhangers ervan nemen aan dat zij rechtvaardig zijn omdat zij godsdienstig zijn. Hun houding heeft veel weg van wat wordt beschreven in Lukas 18:9, waar staat dat Jezus „de volgende illustratie . . . ook tot sommigen [sprak] die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren”. Een Farizeeër dankte God dat hij geen zondaar was, maar een belastinginner smeekte voortdurend: „O God, wees mij zondaar genadig.” Jezus zei: „Ik zeg u: Toen deze [de zondaar] naar zijn huis afdaalde, had hij zich rechtvaardiger betoond dan die andere [de Farizeeër]; want een ieder die zich verhoogt, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verhoogd worden.” — Lukas 18:10-14.
17. Hoe beziet God de religieuze inspanningen van hen die zijn als de Farizeeën?
17 De Farizeeër vernederde zich niet voor God. In plaats daarvan vond hij zichzelf naar zijn eigen maatstaven rechtvaardig. God echter bezag het niet zo (Matthéüs 23:25-28). De deemoedige zondaar daarentegen was degene die weerspiegelde wat Gods Woord in Jesaja 66:2 zegt: „Op deze dan zal ik zien, op de ellendige en de verslagene van geest en die voor mijn woord beeft.” Die religieuze leiders beefden niet voor Gods Woord. Zij negeerden het. Zij gingen hun eigen gang en meenden vervolgens dat God hen goedkeurde. Jezus zei echter tot hen: „Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is. Velen zullen op die dag tot mij zeggen: ’Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam demonen uitgeworpen, en in uw naam vele krachtige werken verricht?’ En toch zal ik hun dan openlijk verklaren: Ik heb u nooit gekend! Gaat weg van mij, gij werkers der wetteloosheid.” — Matthéüs 7:21-23.
18. Hoe zal God religies oordelen die beweren hem te dienen maar zich niet voegen naar zijn wetten?
18 Die religieuze leiders in de eerste eeuw vertrouwden niet op God. In plaats daarvan vertrouwden zij op overleveringen die Gods wetten schonden (Matthéüs 15:3, 9). Daarom gaf Jezus hun te verstaan: „Uw huis wordt u verlaten achtergelaten” (Matthéüs 23:38). Als bewijs dat God zich inderdaad van hun joodse religie had afgekeerd, werden zij, hun hoofdstad Jeruzalem en hun tempel in het jaar 70 van onze gewone tijdrekening door Romeinse legers vernietigd. In onze tijd is het precies zo. De religieuze leiders van deze wereld hebben hun eigen maatstaven voor aanbidding, die niet stroken met Gods maatstaven. Dus doen zij niet zijn wil maar hun eigen wil. Vandaar dat God hen als werkers der wetteloosheid beschouwt (Titus 1:16). Als bewijs dat God zich van deze religies heeft afgekeerd, zullen ze weldra door de natiën vernietigd worden, zoals Jeruzalem met haar tempel in de eerste eeuw door de Romeinse legers vernietigd is. — Zie Openbaring hfdst. 17, 18.
19. Welke vragen kunnen betreffende religie worden gesteld?
19 Geven wij hiermee een te negatief beeld van de religies van de wereld? Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat Gods oordelen ze binnenkort zullen treffen? Wat moet een religie doen om Gods goedkeuring te verwerven? Zijn er historische precedenten die tonen dat Jehovah diegenen beschermt die zich in oprechtheid tot hem wenden en zich onderwerpen aan zijn wetten? Het volgende artikel gaat op deze vragen in.
Vragen ter herhaling
◻ Wat heeft bijgedragen tot het wantrouwen in onze tijd?
◻ Waarom was het optimisme van deze wereld misplaatst?
◻ Wie kunnen wij volledig vertrouwen, en welke leidraad heeft hij ons gegeven?
◻ Waarom moeten wij niet op onszelf noch op andere mensen vertrouwen?
◻ Hoe beziet God de religies van deze wereld?
[Illustraties op blz. 13]
De Farizeeër nam aan dat hij rechtvaardig was, maar de zondaar smeekte God nederig om barmhartigheid
[Illustratie op blz. 15]
God veroordeelt religies die niet zijn wil doen, juist zoals hij het judaïsme in de eerste eeuw veroordeelde, toen Romeinse legers Jeruzalem verwoestten