Het land van de haarvogel hoort het ’nieuwe lied’
BIJ het krieken van de dag hoort men overal in Liberia het melodieuze wijsje van de haarvogel. Geslachten lang reeds hebben zijn rollers de dorpsbewoners gewekt voor een nieuwe werkdag onder de tropische zon. Aan deze gewone buulbuul heeft Liberia zijn bijnaam „land van de haarvogel” te danken.
De naam Liberia doet echter aan een ander verhaal denken. In 1822 bereikten vrijgelaten slaven die uit Amerika naar het land van hun voorvaders terugkeerden, de monding van de Mesurado en vormden de kolonie die Monrovia werd. Nieuwe kolonies ontstonden te Buchanan, Greenville en Harper en de kolonisten sloten verbonden met de koningen van de inheemse stamleden. Die vroege repatrianten brachten de negro-spirituals mee — liederen waarin Afrikaanse ritmen met bijbelse thema’s werden gecombineerd en waarin hun verlangen naar vrijheid tot uiting kwam. In harmonie met dat verlangen werd hun kolonie in 1824 Liberia genoemd. In 1847 werd ze de eerste zwarte Afrikaanse republiek.
In recente jaren wordt er in dit land echter een nieuw lied gehoord. Dit lied wordt niet door de haarvogel of door teruggekeerde slaven gezongen, maar door een steeds groter wordend koor van mensen die gunstig reageren op de aansporing van de bijbelse psalmist: „Zingt Jehovah een nieuw lied. Zingt Jehovah toe, gij mensen van heel de aarde. Zegt onder de natiën: ’Jehovah zelf is koning geworden’” (Psalm 96:1, 10). Ja, dit is het lied van Gods opgerichte koninkrijk, met Jezus Christus als Koning. Het wordt door de toekomstige erfgenamen van Jehovah’s hemelse regering gezongen. Tijdens „het besluit van het samenstel van dingen”, waarin wij thans leven, verkondigen zij en hun metgezellen vreugdevol het „goede nieuws” van dat Koninkrijk in alle natiën — met inbegrip van Liberia (Matthéüs 24:3, 14). Wanneer en hoe begon men dit lied voor het eerst in het land van de haarvogel te horen? En welke uitwerking heeft deze tot zelfonderzoek aansporende melodie op dankbare toehoorders gehad? Laten wij eens luisteren.
Het ’nieuwe lied’ bereikt Liberia
In 1946 gaf Harry C. Behannan, een begaafde zwarte pianist die in heel Europa was opgetreden, zijn muziekcarrière op om als zendeling dienst te verrichten. Zes maanden achtereen ging hij als de enige pionier van Jehovah’s Getuigen alleen van huis tot huis om de Koninkrijkswaarheid te verbreiden. Hij verspreidde meer dan 500 boeken en maakte vele vrienden. Maar droevig genoeg stierf broeder Behannan aan tropenkoorts. Het ’nieuwe lied’ bleef echter weerklinken, want andere zendelingen namen zijn werk over.
In 1947 kwamen George Watkins (een voormalig amateur-bokser) en zijn vrouw Willa Mae in Monrovia, de hoofdstad van Liberia, dienen. Geduldig en ijverig leerden zij nederige Liberianen ’alles te onderhouden wat Jezus geboden had’ (Matthéüs 28:19, 20). In september 1948 nam een groepje van vijftien personen samen met hen aan de Koninkrijksdienst deel. Zo werd in Liberia de eerste gemeente van Jehovah’s Getuigen gevormd.
Het predikingswerk verbreidde zich snel langs de kust naar de havenstad Harper, in Kakata en omliggende dorpen en onder de Kisisprekende rubbertappers op de Firestone-plantage. In 1952 werd er in Liberia een bijkantoor van het Wachttorengenootschap opgericht. Gedurende het volgende jaar werd aan de McDonald Street in Monrovia de eerste Koninkrijkszaal annex zendelingenhuis gebouwd. Het waren opwindende tijden. Thans zijn er in dit land 1724 lofprijzers van Jehovah, die schitterende resultaten boeken onder de vriendelijke, gastvrije en eenvoudige bewoners.
Gunstige reactie op het ’nieuwe lied’ in deze tijd
Jehovah’s Getuigen uit de zestien belangrijkste stammen van Liberia, alsmede de zendelingen en degenen die zijn gaan dienen waar de behoefte aan predikers groter is, hebben hun stemmen nu verenigd om de Koninkrijksboodschap te laten weerklinken. De laatste tijd verkondigen zij deze boodschap met nog meer dringendheid tot allen die de waarheid zoeken. Gemiddeld besteedt elke Getuige ruim 27 uur per maand aan het predikingswerk, en het aantal volle-tijdwerkers is in de afgelopen vijf jaar meer dan verdrievoudigd. Zulke krachtsinspanningen hebben zowel de Getuigen zelf als anderen zegeningen gebracht. Laten wij eens van enkele van deze zegeningen kennis nemen.
Emmanuel regelde zijn aangelegenheden dusdanig dat hij in de behoeften van zijn grote gezin kon voorzien en een aandeel aan het volle-tijdwerk in Gardnersville kon hebben. Hij ontmoette Varney en Lucinda en begon een huisbijbelstudie met hen. Zij geloofden echter dat het zondig was van religie te veranderen. Emmanuel liet hun zien wat het boek Redeneren aan de hand van de Schrift over dit onderwerp zegt. Zij leenden het boek, lazen hierin ook nog andere artikelen en begonnen de christelijke vergaderingen bij te wonen. Kort daarna maakten zij een begin met de christelijke bediening. Intussen merkte hun huisbaas — een geestelijke — de verandering in hun gedrag op en nodigde hen uit voor hun bijbelstudie gebruik te maken van zijn zitkamer. Na een districtscongres bijgewoond te hebben, was de huisbaas ervan overtuigd dat hij de waarheid had gevonden en vroeg hij zelf om een bijbelstudie.
Door gunstig op het ’nieuwe lied’ te reageren, werd Tamba, een voormalig geestenmedium uit Lofa County, bevrijd. Aangezien hij zich bezorgd maakte over de ziekte van zijn zoon, had hij de geesten geraadpleegd. Zij hadden hem de verzekering gegeven dat zijn zoon in leven zou blijven maar beweerden dat zijn vrouw heimelijk de dood van zijn zoon trachtte te bewerkstelligen. Met offergaven en slachtoffers verzocht Tamba de geesten dringend zijn vrouw te doden, teneinde haar te beletten zijn zoon letsel toe te brengen. Wat was het resultaat? De zoon stierf maar de vrouw bleef ongedeerd. Boos en gefrustreerd gooide Tamba al zijn spiritistische rommel weg. Toen hij door verdriet gekweld werd, trof de boodschap over de hoop op een opstanding en de komende paradijsaarde hem diep. Hij aanvaardde een bijbelstudie, bracht zijn leven in het reine en droeg zich aan Jehovah op. Sindsdien heeft hij de leden van zijn gezin en negen andere mensen in zijn omgeving geholpen tot de opdracht te komen.
Het ’nieuwe lied’ heeft invloed uitgeoefend op het leven van veel rechtgeaarde mensen. Herbert kreeg wegens zijn bijzondere capaciteiten als voetballer een studiebeurs voor de universiteit in Monrovia alsook een rijksbetrekking. Toen hij echter te weten kwam wat de bijbel over een geest van wedijver zegt, bewoog dit hem ertoe zijn sportcarrière op te geven (Galaten 5:26). Nu verheugt hij zich in zijn nieuwe carrière als volle-tijdbedienaar.
James vroeg de Getuige die met hem studeerde hoe hij zijn verslaving aan marihuana kon overwinnen. Aangemoedigd om de kwestie tot een zaak van gebed te maken, vroeg James aan Jehovah hem te helpen ermee te stoppen. Enkele weken later kon hij de drang niet weerstaan en rookte hij weer. Op weg naar huis liep hij pardoes tegen een ijzeren staaf op en bloedde vreselijk rondom zijn oog. Hij dacht aan zijn gebed en is nooit meer in zijn gewoonte teruggevallen. Thans dient hij in de gemeente als gewone pionier en dienaar in de bediening.
Het ’nieuwe lied’ appelleerde ook aan de gevoelens van een bejaarde man, Samuel van de Krayn-stam, die vroeger hoofd van Montserrado County was. Wat heeft hem ertoe gebracht een goedbetaalde carrière op te geven en de volle-tijdbediening na te streven? „Wat op mij zo’n indruk heeft gemaakt,” zei Samuel, „was het feit dat ik voor alles wat Jehovah’s Getuigen zeiden, leerden en deden een ondersteuning in de bijbel kon vinden.” Hij voegde hieraan toe dat hij onder Jehovah’s Getuigen de liefde heeft aangetroffen die Jezus in Johannes 13:34, 35 beschreef. In tegenstelling hiermee was het Samuel opgevallen dat de leden van zijn voormalige kerk „altijd kibbelden en streden over geldzaken, en nog wel in de kerk”. Samuel is nu in de gewone pioniersdienst.
Het ’nieuwe lied’ bereikt een crescendo
Voor Jehovah’s dienstknechten zijn hun jaarlijkse districtscongressen de gelukkigste tijden voor het zingen van Gods lof. In de afgelopen jaren stond men hier in Liberia echter voor de uitdaging passende faciliteiten te vinden die groot genoeg waren om plaats te bieden aan alle Getuigen en geïnteresseerden die aanwezig wilden zijn. In 1986 werden er twee congressen gehouden in de enige geschikte gehoorzaal, maar het totale aantal aanwezigen van meer dan 4000 was hoger dan waarop de accommodatie berekend was. Wat zou er voor het congres in 1987 gedaan moeten worden? Welnu, met hulp van de Chinese regering kwam het „Samuel K. Doe Sports Complex” precies op tijd klaar. Maar zouden wij het ons kunnen veroorloven deze faciliteit te huren?
Wegens de opvoedkundige aard van ons programma stemde de directie erin toe ons het stadion tegen een zeer schappelijke prijs te laten gebruiken. Maar slechts enkele weken vóór het begin van het congres wilde de directie het bedrag verhogen. Waarom? Omdat een vooraanstaand tv-evangelist uit de Verenigde Staten zojuist een opwekkingssamenkomst in het stadion had gehouden en de menigte het stadion in een betreurenswaardige toestand had achtergelaten door overal afval te laten liggen. De directie kreeg de verzekering dat Jehovah’s Getuigen anders waren. De dag vóór het congres gaven ruim 500 broeders en zusters het stadion een grondige schoonmaakbeurt. Na het congres hoorde men een lid van het Chinese directieteam zeggen dat onze inspanningen om het stadion schoon te houden, meer waard waren dan wat wij voor het gebruik ervan hadden betaald.
Het congres zelf was een succes. Een nieuw hoogtepunt van 5852 toehoorders luisterde naar de openbare lezing „Wie kunt u in onze vreeswekkende tijd vertrouwen?” Wat was het verheugend 101 nieuwelingen hun opdracht aan God te zien symboliseren door middel van de waterdoop! De doopplechtigheid vond plaats in twee verplaatsbare bassins op het congresterrein zelf — de eerste keer dat dit in Liberia zo werd gedaan!
Gezien het steeds grotere aantal mensen dat gunstig op het ’nieuwe lied’ reageerde, bleek het oorspronkelijke bijkantoor aan de McDonald Street in Monrovia te klein te zijn. Zelfs het daarna gebruikte gebouw in Sinkor was niet groot genoeg om alle bijbelverklarende lectuur op te slaan die nodig was om in de geestelijke behoeften van het Liberiaanse volk te voorzien. Daarom werd er in de buurt van de Koninkrijkszaal in Paynesville een groot woongebouw gekocht en gerenoveerd, en op 28 maart 1987 werd er een nieuw bijkantoor ingewijd. Met dit nieuwe en ideaal gelegen gebouw zijn Jehovah’s dienstknechten in Liberia goed toegerust om de toenemende belangstelling te behartigen.
Hoeveel werk moet er nog in Liberia worden gedaan? Het aantal van 8600 aanwezigen tijdens de Gedachtenisviering in 1988 — vijfmaal het aantal Koninkrijksverkondigers — toont aan dat er een groot potentieel voor meer discipelen is. En de hard werkende Liberiaanse Getuigen nemen de uitdaging aan. Zij leiden meer dan 3000 huisbijbelstudies per maand. Wij bidden dat nog velen meer hier zich zullen aansluiten bij de voortdurend groeiende „grote schare” die Jehovah als reactie op het ’nieuwe lied’ looft. — Openbaring 7:9, 10.
[Kader op blz. 28]
Van huis tot huis in Liberia
Wanneer wij een lemen hut naderen, kloppen wij niet aan maar maken onze aanwezigheid kenbaar door te roepen: „Kpò, kpò, kpò!”
Als wij geen antwoord krijgen, lopen wij achterom en treffen het gezin in de „keuken” aan, een hutje op het achtererf. Een pot dikke, rode palmboter suddert boven een houtvuurtje. De moeder, die de rijst opschept, stuurt vlug haar kinderen het huis in om stoelen voor ons te halen.
Als de rust is weergekeerd, luisteren de gezinsleden, gezeten op een bank, aandachtig naar onze Koninkrijksboodschap. Zij aanvaarden graag een exemplaar van de brochure Geniet voor eeuwig van het leven op aarde! en wij treffen er regelingen voor om terug te komen. Als wij opstaan om weg te gaan, zeggen zij: „Eet een hapje mee!”
[Kaarten/Illustraties op blz. 26]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
SIERRA LEONE
LIBERIA
LOFA COUNTY
MONTSERRADO COUNTY
Monrovia
Kakata
Buchanan
Greenville
Harper
GUINEE
IVOORKUST
ATLANTISCHE OCEAAN
km 0 100 200 300
mi 0 100 200
[Kaart]
AFRIKA