Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w97 1/10 blz. 21-25
  • Dankbaar voor een lang leven in Jehovah’s dienst

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Dankbaar voor een lang leven in Jehovah’s dienst
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Door religieuze opvattingen beïnvloed
  • Mijn standpunt voor de bijbelse waarheid
  • Dienst op Bethel
  • Overtuigd van de Koninkrijkshoop
  • Activiteit gedurende de Tweede Wereldoorlog
  • Hernieuwde activiteit na de oorlog
  • Doen wat ik kan
  • Tot het einde toe het geloof bewaren
  • Ik wilde ’met God wandelen’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Is dit misschien de beste carrière voor jou?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Voorwaarts met Gods organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Kun jij je beschikbaar stellen?
    Onze Koninkrijksdienst 2001
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
w97 1/10 blz. 21-25

Dankbaar voor een lang leven in Jehovah’s dienst

ZOALS VERTELD DOOR OTTILIE MYDLAND

Laat in de negentiende eeuw lagen in de haven van Kopervik in het westen van Noorwegen de zeilschepen zij aan zij. In die dagen trokken man en paard hun karren door de straten. De mensen gebruikten petroleumlampen als verlichting en de witgeverfde houten huizen werden verwarmd met hout en cokes. Daar ben ik in juni 1898 geboren als tweede van vijf kinderen.

IN 1905 was Vader werkloos, en daarom ging hij naar de Verenigde Staten. Drie jaar later kwam hij terug met een koffer vol opwindende cadeautjes voor de kinderen en zijden stoffen en andere dingen voor Moeder. Maar zijn kostbaarste bezittingen waren boeken van Charles Taze Russell onder de titel Schriftstudiën.

Vader begon de dingen die hij uit deze boeken leerde aan vrienden en familieleden te vertellen. Op plaatselijke kerkbijeenkomsten gebruikte hij de bijbel om aan te tonen dat er geen brandende hel is (Prediker 9:5, 10). In 1909, het jaar nadat Vader uit de Verenigde Staten was teruggekeerd, bracht broeder Russell een bezoek aan Noorwegen en hield toespraken in Bergen en Kristiania, dat nu Oslo heet. Vader ging naar Bergen om naar hem te luisteren.

De meeste mensen beschuldigden Vader ervan dat hij valse leerstellingen propageerde. Ik had medelijden met hem en hielp hem bijbelse traktaten bij de buren te bezorgen. In 1912 gaf ik een traktaat over de hel af aan de dochter van een predikant. Zij schold mij en Vader de huid vol. Ik was geschokt dat de dochter van een predikant zulke smerige taal kon gebruiken.

Andere Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen destijds werden genoemd, bezochten ons nu en dan in Kopervik, onder wie Theodor Simonsen, die een bekwaam spreker was. Ik ging dan mensen uitnodigen voor de lezingen die hij bij ons thuis hield. Voor zijn lezing speelde hij op de citer en zong, en na zijn lezing zong hij een slotlied. Wij hadden diep respect voor hem.

Een andere bezoeker bij ons thuis was Anna Andersen, een colporteur of volle-tijddienares. Zij reisde van stad tot stad door heel Noorwegen, voornamelijk op de fiets, om bijbelse lectuur onder de mensen te verspreiden. Zij was eens officier geweest bij het Leger des Heils en kende enkele heilsofficieren in Kopervik. Zij stonden haar toe in hun vergaderhuis een bijbelse toespraak te houden en ik nodigde mensen uit om naar haar te komen luisteren.

Een andere colporteur die ons in Kopervik bezocht, was Karl Gunberg. Deze bescheiden, stille maar geestige man diende ook van tijd tot tijd als vertaler op het bijkantoor in Oslo. Jaren later werkten wij daar samen.

Door religieuze opvattingen beïnvloed

In die tijd hadden de meeste mensen niet alleen een sterk geloof in God en de bijbel maar waren zij ook verknocht aan geloofsovertuigingen, zoals het hellevuur en de Drieëenheid. Daarom veroorzaakte het heel wat opschudding toen de Bijbelonderzoekers leerden dat deze leerstellingen niet in overeenstemming waren met de bijbel. Ik werd beïnvloed door de krachtige beschuldigingen van onze buren dat Vader een ketter was. Eens heb ik zelfs tegen hem gezegd: „Wat u leert, is niet waar. Het is ketterij!”

„Kom eens hier, Ottilie,” moedigde hij mij aan, „en kijk eens wat de bijbel zegt.” Vervolgens las hij mij uit de bijbel voor. Als gevolg daarvan groeide mijn vertrouwen in hem en wat hij leerde. Hij moedigde mij aan de Schriftstudiën te lezen, en zo zat ik in de zomer van 1914 dikwijls op een heuvel die over de stad uitkeek te lezen.

In augustus 1914 dromden de mensen samen voor het gebouw van de plaatselijke krant om over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog te lezen. Vader kwam aanlopen en zag wat er aan de hand was. „God zij dank!”, riep hij uit. Hij herkende in het uitbreken van oorlog de vervulling van bijbelse profetieën waarover hij gepredikt had (Mattheüs 24:7). Veel Bijbelonderzoekers geloofden destijds dat zij spoedig in de hemel zouden worden opgenomen. Toen dit niet gebeurde, raakten sommigen teleurgesteld.

Mijn standpunt voor de bijbelse waarheid

In 1915 kwam ik op zeventienjarige leeftijd van de middelbare school en ging op een kantoor werken. In die tijd ben ik geregeld De Wachttoren gaan lezen, maar pas in 1918 werden er in Kopervik geregelde vergaderingen gehouden. Aanvankelijk waren wij met vijf aanwezigen. Wij lazen Wachttoren-publikaties zoals de Schriftstudiën en bespraken het materiaal met behulp van vragen en antwoorden. Hoewel Moeder tegen anderen met veel waardering over de Bijbelonderzoekers sprak, is zij nooit een van ons geworden.

Op het kantoor waar ik vanaf 1918 werkte, leerde ik Anton Saltnes kennen, die ik heb kunnen helpen een Bijbelonderzoeker te worden. In die tijd werd ik een geregelde verkondiger en in 1921 werd ik op een congres in Bergen gedoopt.

In mei 1925 was er een congres voor heel Scandinavië in Örebro (Zweden). Er waren meer dan 500 aanwezigen, met inbegrip van Joseph F. Rutherford, de president van het Wachttorengenootschap. Wij reisden er vanuit Oslo met een gezelschap van ongeveer dertig personen in een gereserveerde spoorwagon naar toe.

Op dit congres werd aangekondigd dat er in Kopenhagen (Denemarken) een Noordeuropees bijkantoor zou worden gevestigd om zorg te dragen voor het predikingswerk in heel Scandinavië en de Baltische landen. William Dey uit Schotland werd belast met het toezicht op het predikingswerk. Men mocht hem heel graag, en hij kwam al gauw bekend te staan als de Grote Schot. Aanvankelijk kende broeder Dey geen woord van de Scandinavische talen, zodat hij tijdens vergaderingen en congressen achterin op de kinderen paste opdat hun ouders zich konden concentreren op wat er vanaf het podium werd gezegd.

The Watch Tower van 1 maart 1925 behandelde Openbaring hoofdstuk 12 en legde uit dat dit hoofdstuk betrekking heeft op de geboorte van Gods koninkrijk, en dat deze geboorte in 1914 in de hemel had plaatsgevonden. Ik vond het moeilijk te begrijpen en daarom las ik het artikel telkens opnieuw. Toen ik het eindelijk begreep, was ik bijzonder gelukkig.

Wanneer er wijzigingen in ons begrip van bijbelse onderwerpen werden aangebracht, struikelden sommigen daarover en trokken zich van Gods volk terug. Maar als zo’n wijziging moeilijk te bevatten was, heb ik altijd het materiaal steeds weer opnieuw gelezen om te proberen de redenering te volgen. Als ik de nieuwe verklaring dan nog niet begreep, wachtte ik tot er verduidelijking kwam. Telkens weer ben ik voor dat geduld beloond.

Dienst op Bethel

Enige jaren lang heb ik als boekhouder, secretaresse en als accountant in overheidsdienst gewerkt. In 1928 werd degene die de boekhouding van het Genootschap had verzorgd ziek en moest Bethel verlaten. Aangezien ik ervaring in dat soort werk had, werd mij gevraagd het over te nemen. In juni 1928 begon ik in de Betheldienst. Op gezette tijden kwam broeder Dey bij ons op bezoek en controleerde mijn boekhouding. Onze Bethelfamilie nam ook de leiding in het openbare predikingswerk in Oslo, waar wij toen maar één gemeente hadden.

Sommigen van ons hielpen broeder Sakshammer, de dienaar van de Verzendafdeling op Bethel, met het inpakken en verzenden van Het Gouden Tijdperk (thans Ontwaakt!). Tot degenen die een handje kwamen helpen, behoorden de broeders Simonsen en Gunberg. Wij hadden een heerlijke tijd, en dikwijls zongen wij liederen onder het werk.

Overtuigd van de Koninkrijkshoop

In 1935 kregen wij het begrip dat de „grote schare” geen secundaire hemelse klasse was. Wij leerden dat ze daarentegen een klasse vertegenwoordigt die de grote verdrukking overleeft en de gelegenheid heeft eeuwig in het Paradijs op aarde te leven (Openbaring 7:9-14). Toen dit nieuwe begrip kwam, beseften sommigen die van de Gedachtenissymbolen hadden gebruikt, dat zij een aardse hoop hadden, en zij gebruikten er nadien niet meer van.

Hoewel ik nooit aan mijn hemelse hoop heb getwijfeld, heb ik wel vaak gedacht: ’Waarom wil God mij hebben?’ Ik vond mij zo’n groot voorrecht onwaardig. Als kleine, verlegen vrouw vond ik het vreemd aan mijzelf te denken als een koning die samen met Christus in de hemel regeert (2 Timotheüs 2:11, 12; Openbaring 5:10). Ik dacht echter na over de woorden van de apostel Paulus, dat „niet veel machtigen” geroepen werden, maar dat „God . . . het zwakke der wereld [heeft] uitgekozen om het sterke te beschamen”. — 1 Korinthiërs 1:26, 27.

Activiteit gedurende de Tweede Wereldoorlog

Op 9 april 1940 vielen de Duitse troepen Noorwegen binnen, en weldra was het land bezet. Als gevolg van de oorlog werden velen ontvankelijk voor de Koninkrijksboodschap. Van oktober 1940 tot juni 1941 hebben wij meer dan 272.000 boeken en brochures verspreid. Dat betekent dat elk van de meer dan 470 Getuigen die er toen in Noorwegen waren in die negen maanden gemiddeld ruim 570 boeken en brochures heeft verspreid!

Op 8 juli 1941 bezocht de Gestapo alle presiderende opzieners om hun te vertellen dat zij, als het predikingswerk niet ophield, naar concentratiekampen gestuurd zouden worden. Er kwamen vijf Duitse politieagenten naar Bethel, die een groot deel van de eigendommen van het Wachttorengenootschap in beslag namen. De Bethelfamilie werd opgebracht en verhoord, maar niemand van ons werd gevangengenomen. Tenslotte werd op 21 juli 1941 het gebouw van het Genootschap aan de Inkognitogaten 28B in beslag genomen en werd ons predikingswerk verboden. Ik verhuisde weer naar Kopervik en vond een baan om in mijn onderhoud te voorzien.

In die tijd diende Vader als pionier. Op een dag kwamen de nazi’s Vaders huis doorzoeken. Al zijn lectuur, met inbegrip van zijn bijbels en bijbelconcordanties, namen zij mee. Wij ontvingen in deze periode maar weinig geestelijk voedsel. Om geestelijk sterk te blijven, bestudeerden wij telkens opnieuw oude boeken, zoals het boek Regeering, en wij bleven prediken.

Helaas waren in veel plaatsen de broeders verdeeld. Sommigen waren van mening dat wij openlijk behoorden te prediken en van huis tot huis dienden te gaan, terwijl anderen vonden dat wij meer in het geheim moesten werken en op andere manieren contact met mensen moesten zoeken. Zo kwam het dat vooraanstaande broeders, die voordien uitstekend hadden samengewerkt en van wie wij zoveel hielden, niet meer tegen elkaar praatten. De verdeeldheid onder hen heeft mij meer hartepijn bezorgd dan enige andere situatie in mijn leven als Getuige.

Hernieuwde activiteit na de oorlog

Na de oorlog, in de zomer van 1945, bracht broeder Dey een bezoek aan Noorwegen en hield vergaderingen in Oslo, Skien en Bergen. Hij deed een beroep op de broeders om de strijdbijl te begraven en verzocht allen die daartoe bereid waren op te staan. Allen gingen staan! In december 1945 kwam er definitief een einde aan het geschil na een bezoek van Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap.

Intussen ontving ik op 17 juli 1945 een telegram van de bijkantoordienaar, broeder Enok Öman, waarin stond: ’Wanneer kun je weer op Bethel komen?’ Sommigen zeiden dat ik thuis moest blijven om voor mijn vader te zorgen, die toen over de zeventig was. Maar Vader moedigde mij aan de Betheldienst te hervatten, en dat deed ik. In 1946 werd Marvin F. Anderson, een broeder uit de Verenigde Staten, onze bijkantooropziener en werd het predikingswerk gereorganiseerd.

In de zomervakanties ging ik altijd naar Kopervik terug om mijn familie te zien. Mijn twee broers en twee zusters zijn geen Getuigen geworden, maar zij zijn Vader en mij altijd goedgezind geweest. Een van mijn broers werd havenmeester en hoofd van de loodsdienst, en de andere was leraar. Hoewel ik in materieel opzicht weinig bezat, zei Vader altijd tegen hen: „Ottilie is rijker dan jullie.” En dat was ook zo! Wat zij verworven hadden, kon niet in de schaduw staan bij de geestelijke rijkdom die ik genoot! Vader is in 1951 op 78-jarige leeftijd gestorven. Moeder was in 1928 overleden.

Een hoogtepunt in mijn leven was het bijwonen van het internationale congres van Jehovah’s volk in 1953 in de stad New York. Dat jaar werd in het wereldwijde veld de mijlpaal van 500.000 verkondigers gepasseerd, en op het congres waren meer dan 165.000 aanwezigen! Voor het congres van 1953 heb ik een week gewerkt op Brooklyn-Bethel, het hoofdbureau van Jehovah’s organisatie op aarde.

Doen wat ik kan

De laatste jaren is mijn gezichtsvermogen door staar achteruitgegaan. Met een sterke bril en een vergrootglas kan ik grote letters nog enigszins lezen. En christelijke zusters zoeken mij tweemaal per week op om mij voor te lezen, waar ik erg dankbaar voor ben.

Ook mijn predikingsactiviteit is beperkt. ’s Zomers nemen christelijke zusters mij af en toe in mijn rolstoel mee naar een plaats waar ik wat kan prediken. Ook verstuur ik geregeld tijdschriften en brochures naar scholen in Kopervik, zoals de basisschool waar ik bijna honderd jaar geleden leerling was. Ik ben blij dat ik nog steeds een geregelde verkondiger kan zijn.

Gelukkig liggen de eetzaal en de Koninkrijkszaal op dezelfde verdieping als mijn kamer op Bethel, dat sinds 1983 gevestigd is in Ytre Enebakk, buiten Oslo. Daardoor kan ik met behulp van een looprek naar de ochtendaanbidding, de maaltijden en onze vergaderingen gaan. En ik ben blij dat ik nog naar congressen en andere grote vergaderingen kan. Ik vind het heerlijk Getuigen te ontmoeten die ik al vele jaren ken, en ook nieuwe broeders en zusters en veel lieve kinderen.

Tot het einde toe het geloof bewaren

Het is een zegen hier op Bethel omringd te zijn door actieve, aardige en geestelijk gezinde mensen. Toen ik mijn Betheldienst begon, hadden alle leden van de familie de hemelse hoop (Filippenzen 3:14). Nu ziet iedereen op Bethel behalve ik ernaar uit voor eeuwig op aarde te leven.

Het is waar, wij hadden verwacht dat Jehovah eerder tot handelen zou zijn overgegaan. Maar ik verheug mij als ik de grote schare steeds maar groter zie worden. Wat een toename heb ik gezien! Toen ik voor het eerst in de velddienst ging, waren er wereldwijd ongeveer 5000 verkondigers. Nu zijn het er meer dan 5.400.000! Ik heb werkelijk „de kleine zelf . . . tot duizend [zien] worden, en de geringe tot een machtige natie” (Jesaja 60:22). Wij moeten Jehovah blijven verwachten, zoals de profeet Habakuk schreef: „Zelfs al zou het op zich laten wachten, blijf er vol verwachting naar uitzien; want het zal zonder mankeren uitkomen.” — Habakuk 2:3.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen