7 Ik dacht er goed over na,* en ik ging in discussie met de vooraanstaande personen en de bestuurders. Ik zei tegen hen: ‘Jullie vragen allemaal rente* van je eigen broeders.’+
Daarna belegde ik vanwege hen een grote vergadering.
7 Daarom ging mijn hart in mij overleggen, en ik begon aanmerkingen te maken+ op de edelen en de regenten en zei vervolgens tot hen: „Woeker+ eist GIJ, ieder van zijn eigen broeder.”
Voorts belegde ik vanwege hen een grote vergadering.+