26 Boven het uitspansel boven hun hoofden was iets dat leek op een saffiersteen+ en eruitzag als een troon.+ Op de troon daarboven zat iemand die eruitzag als een mens.+
26 En boven het uitspansel dat boven hun hoofd was, was iets dat eruitzag als saffiersteen,+ iets dat geleek op een troon.+ En op datgene wat op de troon geleek, was iets dat geleek op iemand die eruitzag als een aardse mens erop,+ erbovenop.