15 Je mag niet oneerlijk zijn wanneer je rechtspreekt. Behandel een arme niet partijdig en trek een rijke niet voor.+ Je moet rechtvaardig rechtspreken over je medemens.
15 Gijlieden moogt bij de rechtspraak geen onrecht begaan. Gij moogt de geringe niet partijdig bejegenen,+ en gij moogt de persoon van een groot man niet begunstigen.+ Met gerechtigheid dient gij uw volksgenoot te richten.