20 Maar ‘als je vijand honger heeft, geef hem dan iets te eten. Als hij dorst heeft, geef hem dan iets te drinken. Want daardoor stapel je vurige kolen op zijn hoofd.’*+
20 Maar „indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem iets te drinken;+ want door dit te doen, zult gij vurige kolen op zijn hoofd stapelen”.+