woensdag 5 januari
Doe de complete wapenrusting van God aan. — Ef. 6:13.
‘De Heer is trouw, en hij zal jullie sterk maken en jullie beschermen tegen de goddeloze’ (2 Thess. 3:3). Hoe beschermt Jehovah ons? Jehovah heeft ons een wapenrusting gegeven die ons kan beschermen tegen aanvallen van Satan (Ef. 6:13-17). Die geestelijke wapenrusting is sterk en doeltreffend. Maar je hebt er alleen iets aan als je elk onderdeel aandoet — en niet meer uitdoet. De gordel staat bijvoorbeeld symbool voor de waarheden in Gods Woord, de Bijbel. Waarom moet je die gordel om hebben? Omdat Satan ‘de vader van de leugen’ is (Joh. 8:44). Hij liegt al duizenden jaren en heeft ‘de hele bewoonde aarde’ misleid (Openb. 12:9). Maar de waarheden in de Bijbel beschermen ons tegen bedrog. Hoe draag je de symbolische gordel? Door de waarheid over Jehovah te leren kennen, door hem ‘met geest en waarheid’ te aanbidden en door je in alle dingen eerlijk te gedragen (Joh. 4:24; Ef. 4:25; Hebr. 13:18). w21.03 26-27 ¶3-5
donderdag 6 januari
Hij zal ook het Sieraadland binnentrekken. — Dan. 11:41.
Dat land was vooral mooi omdat daar de ware aanbidding plaatsvond. Sinds Pinksteren 33 is het ‘land’ geen specifieke locatie op aarde. Dat kan ook niet, want Jehovah’s volk is over de hele aarde verspreid. Het Sieraadland is in deze tijd het figuurlijke domein van Jehovah’s volk: activiteiten zoals hun aanbidding van Jehovah op de vergaderingen en de velddienst. In de laatste dagen is de koning van het noorden meerdere keren het Sieraadland binnengetrokken. Nazi-Duitsland trok bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog het Sieraadland binnen door Gods aanbidders te vervolgen en te doden. En toen na de Tweede Wereldoorlog de Sovjet-Unie koning van het noorden werd, trok die koning het Sieraadland binnen door Gods volk te vervolgen en te verbannen. w20.05 13 ¶7-8
vrijdag 7 januari
Wie ontzag hebben voor Jehovah krijgen een hechte vriendschap met hem en hij maakt ze vertrouwd met zijn verbond. — Ps. 25:14.
Wie waren in de tijd voor Christus vrienden van God? Een van hen was Abraham, een man met een opvallend groot geloof. Meer dan 1000 jaar na zijn dood noemde Jehovah hem ‘mijn vriend’ (Jes. 41:8). Dus zelfs de dood kan niet tussen Jehovah en zijn goede vrienden komen. In Jehovah’s herinnering leeft Abraham nog (Luk. 20:37, 38). Nog een voorbeeld is Job. Toen de engelen in de hemel vergaderd waren, sprak Jehovah vol vertrouwen over hem. Hij noemde Job ‘een oprecht en getrouw man, die ontzag heeft voor God en vermijdt wat slecht is’ (Job 1:6-8). En hoe dacht Jehovah over Daniël, die hem zo’n 80 jaar trouw diende in een heidens land? Tot drie keer toe zei een engel tegen die oude man dat hij bij God heel ‘geliefd’ was (Dan. 9:23; 10:11, 19). We kunnen er zeker van zijn dat Jehovah verlangt naar de dag waarop hij zijn dierbare vrienden uit de dood zal opwekken (Job 14:15). w20.05 26-27 ¶3-4