donderdag 28 december
Er is geen woord op mijn tong, Jehovah, of u weet het al heel goed. — Ps. 139:4.
Je kunt je band met Jehovah niet alleen versterken door te bidden, maar ook door Gods Woord te bestuderen en vergaderingen te bezoeken. Wat kun je doen om je studieperiodes en je tijd op de vergaderingen zo goed mogelijk te gebruiken? Je kunt je afvragen of er iets is dat je vaak uit je concentratie haalt. Denk bijvoorbeeld maar aan de appjes, e-mails en berichten die je krijgt op je telefoon of tablet. Als je merkt dat tijdens een studieperiode of op een vergadering je gedachten afdwalen, vraag Jehovah dan of hij je helpt gefocust te zijn. Het is misschien niet makkelijk je zorgen opzij te zetten en je op geestelijke dingen te focussen. Maar het is essentieel dat je dat doet. Bid om de vrede die niet alleen je hart beschermt maar ook ‘je verstand’ (Fil. 4:6, 7). w22.01 29-30 ¶12-14
vrijdag 29 december
Spits je oren en luister naar de woorden van de wijzen. — Spr. 22:17.
Koning Uzzia legde raad naast zich neer. Hij ging een deel van Jehovah’s tempel binnen waar alleen de priesters mochten komen en probeerde er wierook te branden. De priesters van Jehovah zeiden: ‘Het is niet toegestaan, Uzzia, dat u wierook brandt voor Jehovah! Alleen de priesters mogen wierook branden.’ Hoe reageerde Uzzia? Als hij nederig de raad had opgevolgd en meteen de tempel had verlaten, zou Jehovah hem misschien hebben vergeven. Maar Uzzia ‘werd woedend’. Waarom verwierp hij de raad? Kennelijk vond hij dat hij als koning het recht had te doen wat hij wilde. Maar Jehovah zag het anders. Omdat Uzzia zo aanmatigend was, werd hij met melaatsheid getroffen. Hij ‘bleef melaats tot aan zijn dood’ (2 Kron. 26:16-21). Wat laat het voorbeeld van Uzzia zien? Wie je ook bent, je zult Jehovah’s goedkeuring verliezen als je Bijbelse raad in de wind slaat. w22.02 9 ¶7
zaterdag 30 december
Heb daarom berouw en keer je om, zodat je zonden worden uitgewist. Dan zullen er tijden van verademing komen van Jehovah zelf. — Hand. 3:19.
Iemand die in de greep is van ‘de oude persoonlijkheid’ heeft doorgaans een vleselijke manier van denken en doen (Kol. 3:9). Hij kan zelfzuchtig zijn, opvliegend, ondankbaar en trots. Misschien kijkt hij graag naar porno en naar immorele of gewelddadige films. Ongetwijfeld heeft hij ook goede eigenschappen. En misschien voelt hij zich schuldig over de slechte dingen die hij zegt of doet. Maar het ontbreekt hem aan de motivatie om zijn denken en gedrag te veranderen (Gal. 5:19-21; 2 Tim. 3:2-5). Omdat we onvolmaakt zijn, kan niemand van ons alle slechte gedachten en verlangens volledig uit zijn hart en geest bannen. Soms zeg of doe je iets waar je spijt van krijgt (Jer. 17:9; Jak. 3:2). Maar als je de oude persoonlijkheid uittrekt, word je niet meer door vleselijke houdingen en gewoonten beheerst. Ze karakteriseren je niet meer als persoon (Jes. 55:7). w22.03 3 ¶4-5