Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • De Bergrede — „Bied geen weerstand aan degene die goddeloos is”
    De Wachttoren 1978 | 1 oktober
    • rechtsgedingen met elkaar hebt. Waarom laat gij u niet liever onrecht doen? Waarom laat gij u niet liever te kort doen?” (1 Kor. 6:7) Ja, zij hadden veeleer bereid moeten zijn persoonlijk verlies te lijden dan dat zij de reputatie van de gemeente in het openbaar schade toebrachten door onenigheid die tot voor het gerecht was gebracht.

      Zoals Lukas Jezus’ woorden weergeeft, hoeft hun toepassing niet eens tot een juridische procedure beperkt te blijven: „Als iemand uw bovenkleed wegneemt, onthoud hem dan zelfs het onderkleed niet” (Luk. 6:29b). Lukas kan hebben gedacht aan mensen die onderweg door rovers staande werden gehouden, die hen van hun bovenkleren beroofden. In plaats van zich ertegen te verzetten wanneer hun dergelijke, misschien dure, kleding werd afgenomen, zouden Jezus’ discipelen er beter aan doen verder te gaan dan wat werd gevraagd en „zelfs het onderkleed” af te staan. Dit zou hun leven kunnen redden wanneer zij gevaarlijke misdadigers tegenover zich hadden of het zou andere goede resultaten kunnen hebben. — Spr. 15:1; Matth. 5:16.

      De Zoon van God bedoelde echter niet dat mensen het zouden moeten afwijzen om ooit in een proces voor hun recht op te komen of dat zij het op andere wijze maar zouden moeten goedvinden dat goddeloze mensen hen tot armoede zouden brengen. Wij merken dat de apostel Paulus Jezus’ woorden niet in die zin opvatte, want Paulus verscheen voor Romeinse functionarissen in zijn pogingen ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’ (Fil. 1:7; vergelijk Handelingen 25:8-12). Christenen kunnen gerechtelijke actie ondernemen tegen wereldse mensen of autoriteiten om op te eisen wat hun rechtens toekomt. Maar hun handelwijze zou hierbij niet strijdlustig maar eerder vredelievend moeten zijn. In hun dagelijkse betrekkingen dienen christenen echter een meegaande instelling te ontwikkelen. — Rom. 12:17-19.

      3 — GEDWONGEN DIENST VOOR EEN VERTEGENWOORDIGER VAN DE WERELDLIJKE REGERING

      Vervolgens verklaarde Jezus: „En indien iemand die onder autoriteit staat, u prest een mijl met hem te gaan, ga dan twee mijlen met hem.” — Matth. 5:41.

      De uitdrukking ’pressen mee te gaan’ is een vertaling van het woord angareuoo, dat de grieken uit de Perzische taal hadden overgenomen. Oorspronkelijk had die term te maken met de activiteit van openbare koeriers of boodschappers, die door de koning van Perzië waren gemachtigd. De koeriers hadden de autoriteit om mensen, paarden, schepen en allerlei andere zaken te pressen, als dat de staatsaangelegenheden zou kunnen bespoedigen. (Vergelijk Esther 3:13, 15; 8:10, 14.) Dit systeem werd door de Romeinen overgenomen. In de tijd van Jezus’ aardse bediening konden regeringsfunctionarissen de joden dwingen lasten te dragen of andere soorten van dwangarbeid te verrichten (Matth. 27:32; Mark. 15:21). In de ogen van de joden was een dergelijke gedwongen dienst voor heidenen weerzinwekkend. Toch vermaande Jezus zijn luisteraars die dienst welgemoed te verrichten. Ja, als zij werden gedwongen een Romeinse mijl te gaan (ongeveer 1,5 kilometer), zouden zij moeten aanbieden tweemaal zo ver te gaan.

      4 — EEN VERZOEK OM MATERIËLE HULP

      Jezus’ volgende raad betrof edelmoedigheid in het geven van materiële hulp: „Geef aan wie u vraagt, en wend u niet af van iemand die zonder rente van u wil lenen.” — Matth. 5:42.

      Jezus’ toehoorders zouden zich herinneren dat Gods wet de Israëlieten verbood rente te vragen wanneer zij leenden aan medejoden (Ex. 22:25; Lev. 25:37; Deut. 23:20). Bovendien verordende Gods wet: „Gij [moogt] uw hart niet verharden, noch uw hand voor uw arme broeder gesloten houden. Want gij dient uw hand met mildheid voor hem te openen en hem in elk geval zoveel hij nodig heeft, waaraan het hem ontbreekt, op onderpand te lenen” (Deut. 15:7, 8). Als de Messías en „vervuller” van Gods wet ging Jezus nog verder in het aanbevelen van de geest van edelmoedig geven. — Matth. 5:17; Hand. 20:35.

      De raad die Jezus hier geeft, is beslist zeer waardevol. Mensen die besluiten hun persoonlijke trots te laten varen en zelfs van waardevolle dingen afstand te doen in plaats van te strijden om ze te behouden, die zich zonder klagen van onplezierige toewijzingen kwijten en die welgemoed van hun bezittingen geven om anderen te helpen die op dat moment geholpen moeten worden, zulke mensen zijn zowel aangenaam voor hun medemensen als geliefd bij God. — 2 Kor. 9:7.

  • Eén Koningen — Een verslag van roem en schande
    De Wachttoren 1978 | 1 oktober
    • Eén Koningen — Een verslag van roem en schande

      NADAT het Israëlitische koninkrijk zijn grootste roem heeft bereikt, raakt het als gevolg van een politieke en religieuze opstand verdeeld, terwijl beide koninkrijken vervolgens herhaaldelijk schande ondervinden. Dit verslag van roem en schande is in Eén Koningen bewaard gebleven. Volgens de joodse traditie heeft Jeremia het verslag samengesteld. In het boek zelf worden enkele bronnen genoemd die voor dit doel werden gebruikt — „het boek van de aangelegenheden van Salomo”, „het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Juda” en „het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Israël”. — 1 Kon. 11:41; 14:19; 15:7, 23; 16:14.

      Het verslag van Eén Koningen begint met een vluchtige blik op de laatste dagen van koning Davids leven. De bedlegerige koning kan eenvoudig niet warm worden en daarom worden er regelingen getroffen dat de mooie maagd Abisag voor hem zal zorgen. Ondertussen maakt Adonia, klaarblijkelijk de oudste van Davids levende zonen, misbruik van de verzwakte toestand van zijn vader. Gesteund door de krachtige Joab en door priester Abjathar organiseert Adonia een offerandelijk feest om zichzelf tot koning te laten uitroepen.

      SALOMO’S ZALVING EN ZIJN REGERING

      Door de snelle tussenkomst van de profeet Nathan wordt Adonia’s plan verijdeld. Terwijl Adonia en zijn ondersteuners feestvieren, wordt Davids zoon Salomo als koning gezalfd. Jeruzalems inwoners geven uiting aan zo’n grote vreugde, dat het geluid ervan gehoord kan worden op de plaats waar Adonia en zijn ondersteuners aan een feestdis gezeten zijn. Als Abjathars zoon Jonathan hun het nieuws vertelt over de betekenis van de opwinding in de stad, gaan allen bevreesd uiteen, terwijl Adonia naar het heiligdom vlucht. Daar grijpt hij de hoornen van het brandofferaltaar vast en weigert weg te gaan totdat Salomo hem onder ede belooft hem niet te zullen doden. Salomo stemt erin toe hem in leven te laten, mits Adonia geen verdorven samenzweerder wordt.

      Kort vóór zijn dood geeft David Salomo de raad Jehovah God trouw te blijven en

Nederlandse publicaties (1950-2026)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen