-
Beschouw belemmeringen als een uitdagingDe Wachttoren 1972 | 15 december
-
-
extra zegeningen, al zou het maar zijn dat men door de grotere krachtsinspanning een grotere voldoening heeft omdat men iets heeft gepresteerd.
Ja, beschouw belemmeringen niet als iets om voor te bezwijken, maar als een uitdaging waaraan u het hoofd moet bieden en die u moet overwinnen!
-
-
Bent u barmhartig evenals uw Vader barmhartig is?De Wachttoren 1972 | 15 december
-
-
Bent u barmhartig evenals uw Vader barmhartig is?
JEHOVAH is een God die „rijk aan barmhartigheid” is. De psalmist zong over hem: „Jehovah is goedgunstig en barmhartig, langzaam tot toorn en groot in liefderijke goedheid. Jehovah is goed jegens allen, en zijn barmhartigheden zijn over al zijn werken.” — Ef. 2:4; Ps. 145:8, 9.
Wat betekent dat voor u? Denkt u aan Gods barmhartigheid als een hoedanigheid die slechts in het beeld verschijnt als mensen voor hem „terechtstaan” omdat zij iets verkeerds hebben gedaan? Brengt hij slechts barmhartigheid tot uitdrukking wanneer hij zijn vonnis of oordeel met betrekking tot overtreders verlicht?
Beslist niet. Weliswaar kan de uitdrukking barmhartigheid (Hebr.: racham; Gr.: eleos), zoals die in de Schrift wordt gebruikt, betrekking hebben op een negatieve handeling, zoals het weerhouden van bestraffing. Maar meestal wordt er een positieve handeling door beschreven. Zoals in een vroegere uitgave van dit tijdschrift is besproken,a is barmhartigheid in de grond der zaak „mededogen in actie”, een uiting van vriendelijke consideratie of medelijden waardoor degenen die in nood, in moeilijkheden of in gevaar verkeren, verlichting wordt geschonken.
Verre van beperkt te zijn tot rechterlijke beslissingen, is barmhartigheid een kenmerkende eigenschap van Gods persoonlijkheid. Het is de normale manier waarop hij degenen bejegent die in nood verkeren, een hartverwarmend facet van zijn liefde. Gods Zoon, die heeft onthuld hoe zijn Vader is, helpt ons, door zijn eigen persoonlijkheid, spreken en doen, te beseffen dat Jehovah inderdaad „de Vader der tedere barmhartigheden en de God van alle vertroosting” is (Joh. 1:18; 2 Kor. 1:3). Een belangrijke reden waarom Gods Zoon naar de aarde werd gezonden, was trouwens „opdat hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden in de dingen die in betrekking staan tot God”, iemand door bemiddeling van wie wij „met vrijmoedigheid van spreken de troon van onverdiende goedheid [kunnen] naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en onverdiende goedheid mogen vinden tot hulp op de juiste tijd”. — Hebr. 2:17, 18; 4:15, 16.
Dit wil niet zeggen dat God sentimenteel is. Wanneer hij barmhartigheid oefent, geschiedt dit altijd in overeenstemming met zijn andere eigenschappen en rechtvaardige maatstaven, met inbegrip van zijn gerechtigheid en heiligheid (Hos. 2:19). Wij dienen daarom nooit te trachten misbruik te maken van Gods barmhartigheid en te denken dat hij ons wel barmhartigheid zal blijven betonen ongeacht wat wij doen. Er valt niet met hem te spotten, en degenen die moedwillig kwaad zaaien, kunnen alleen maar verwachten kwaad te oogsten (Gal. 6:7). Als wij door onze woorden, daden en levenswandel moedwillig blijk geven van minachting voor Gods rechtvaardige wegen, krenken wij hem en kan hij terecht ’zijn barmhartigheden in toorn toesluiten’. — Ps. 77:9; Rom. 2:4-11.
BARMHARTIGHEID WORDT DOOR BARMHARTIGHEID BEANTWOORD
Gods Zoon zei: „Gelukkig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid worden betoond” (Matth. 5:7). Dit gaat grotendeels zelfs in onze omgang met elkaar als mensen op, niet waar? Jezus gaf het beginsel: „Zoals gij wilt dat de mensen u doen, doet hun desgelijks.” Nadat hij zijn discipelen had aangespoord ’barmhartig te blijven worden’ evenals hun Vader dit is en anderen niet langer te oordelen en te veroordelen, voegde hij eraan toe: „Beoefent het geven, en u zal gegeven worden. Een ruime, aangestampte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot storten. Want met de maat waarmee gij meet, zal men ook u meten.” — Luk. 6:31, 36-38.
In veel van de geïnspireerde spreuken wordt dit punt beklemtoond. In Spreuken 28:27 staat: „Hij die aan de onbemiddelde geeft, zal geen gebrek hebben, maar hij die zijn ogen verbergt, zal vele vervloekingen krijgen.” Ook lezen wij: „Hij die vriendelijk van oog is, zal gezegend worden, want hij heeft van zijn voedsel aan de geringe gegeven.” — Spr. 22:9.
Maar zulk een meedogende handelwijze dient stellig niet tot het geven van stoffelijke dingen te worden beperkt. De geest en het hart van de mensen moeten gevoed worden, zij hebben geestelijk voedsel en bemoedigend nieuws en aanmoediging nodig. Anders lijden zij een pijnlijker gebrek en honger dan ten gevolge van gebrek aan stoffelijk voedsel. Dit is thans meer dan ooit tevoren zo.
In een wereld waar zoveel ongevoeligheid heerst met betrekking tot ’s mensen noden, waar zoveel harde kritiek wordt uitgeoefend en zo weinig aanmoedigende uitingen van waardering worden gehoord, is een barmhartig persoon werkelijk een verkwikkende zegen. Wanneer hij op edelmoedige wijze van zichzelf geeft, meer nog dan van zijn bezittingen, zal dit niet onbeloond blijven — stellig niet van de zijde van Jehovah. Gods Woord zegt: „Hij die gunst betoont aan de geringe, leent aan Jehovah, en zijn bejegening zal Hij hem vergelden” (Spr. 19:17). Ja, Jehovah waardeert degenen die zijn barmhartigheid nabootsen.
De bijbel brengt barmhartigheid nauw in verband met goedheid. Nadat Jehovah beloofd had ’al zijn goedheid’ aan Mozes te onthullen, liet hij zijn engel aan het aangezicht van de profeet voorbijgaan die over Gods barmhartigheid en liefderijke goedheid sprak (Ex. 33:19; 34:6, 7). Ook in Psalm 145:9 worden goedheid en barmhartigheid naast elkaar gesteld: „Jehovah is goed jegens allen, en zijn barmhartigheden zijn over al zijn werken.
In welke mate de barmhartige persoon wederkerige gevoelens van mededogen in anderen kan opwekken, blijkt uit Paulus’ woorden in Romeinen 5:7, waar hij zegt: „Want ternauwernood zal iemand voor een rechtvaardige sterven; ja, voor de goede heeft iemand misschien nog de moed te sterven.” Zoals wij hebben gezien, omvat goedheid barmhartigheid. Waarom is het dan waarschijnlijker dat iemand voor de „goede” dan voor de „rechtvaardige” zou durven te sterven?
Iemand zou door mensen als ’rechtvaardig’ beschouwd kunnen worden als hij oprecht en eerlijk is en zich niet schuldig maakt aan immoraliteit. Hij is iemand die niet van kwaaddoen beschuldigd kan worden. Maar de „goede” persoon gaat nog een stapje verder. Hij bekommert zich niet alleen om het doen van wat goed en juist is. Hij wordt er door mededogen toe bewogen zelfs meer te doen dan de gerechtigheid eist, waarbij hij gedreven wordt door een heilzame consideratie jegens
-