-
Lofgezang ter ere van de Grondvester der Nieuwe WereldDe Wachttoren 1951 | 15 februari
-
-
zoonszoon, spreekt de HERE [Jehova]. . . . Ik zal hen met een bezem des verderfs uitvagen.” — Jes. 14:3-23, AS.
23 Terwijl dit een spreuk is waardoor smaad wordt gestapeld op de vernederde god van het mystieke Babylon, is ze een lofgezang ter ere van de Grondvester der nieuwe wereld die op de vernietiging van Babylon volgt. Er wordt door te kennen gegeven dat Jehova God regeert, en dat hij de valse aanklacht van zijn vijanden vanouds, heeft te niet gedaan.
-
-
De schare lofprijzers der Nieuwe WereldDe Wachttoren 1951 | 15 februari
-
-
De schare lofprijzers der Nieuwe Wereld
1. Wier lofgezang ter ere van Jehova zwelt thans aan, en om welke reden?
HET Babylon uit de oudheid lag aan beide zijden van de rivier de Eufraat en het strekte zijn imperialistische macht over volken, natiën en tongen uit. Satans vrouw, het mystieke Babylon, heeft zijn onderdrukkende macht derhalve over de gehele mensheid geoefend. Alleen Jehova onze God, de Almachtige, kon hun bevrijding bewerkstelligen door zijn grote macht aan te nemen, wederom als universele Koning te gaan heersen en Babylon in de komende strijd van Armageddon te vernietigen. Uit de kelen van een schare die met elk jaar dat verstrijkt, aangroeit, zwelt reeds het lofgezang aan ter ere van hem, welk gezang weerklinkt omdat hij zijn door Christus uitgeoefende regering in 1914 is begonnen en reeds een bevrijding heeft bewerkt voor hen die zijn naam aanroepen.
2. Wat horen wij thans als een vervulling van Openbaring 19:6?
2 De toornige natiën zijn, hoewel ze hun toevlucht nemen tot totalitaire methoden, niet in staat het lofgezang ter ere van Jehova te doen verstommen. Als een vervulling van Openbaring 19:6 kunnen onze oren iets horen wat gelijk is aan de „stem van een grote schare en aan een geluid van vele wateren en aan een geluid van zware donderslagen”. Ja, wij kunnen hen horen zeggen: „Looft Jah, gijlieden, omdat Jehova onze God, de Almachtige, is begonnen als koning te heersen” (NW). Daar het geluid van hun stemmen zo machtig is dat het gelijkt op het geluid van vele wateren en op donderslagen, aardse en hemelse geluiden, duidt het er op dat de machtige bekendmaking door een aardse en een hemelse klasse wordt gedaan. De feiten stemmen hiermede overeen. Het overblijfsel der geestelijke Israëlieten, die in aanmerking komen voor het hemelse koninkrijk, hebben sedert 1919 n. Chr., toen zij uit de macht van Babylon werden bevrijd, Jah of Jehova openlijk geprezen. Sedertdien hebben honderdduizenden gelovigen wier hoop een aardse bestemming in de nieuwe wereld is, zich bij hen aangesloten.
3. Hoe zijn zij zijn slaven en waarom moeten zij hem loven? Op welke wijze loven zij hem?
3 Doordat zij zich door middel van Christus Jezus, onze Verlosser, zonder voorbehoud aan God hebben gewijd, zijn zij slaven van God geworden en zijn hem hun onverdeelde dienst schuldig. Het feit dat de profetie zeide dat de grote schare wier stem men hoort, Jehova zou loven, legt hun de verplichting op zijn lof uit te bazuinen. De profetie moet worden vervuld. In werkelijkheid is het bevel hem te prijzen, van God op zijn troon afkomstig en het komt door middel van zijn Zoon, het Lam, die „in het midden der troon” staat. Derhalve staat er geschreven: „Ook ging een stem uit van de troon en zeide: ’Looft onze God, gij allen die zijn slaven zijt, die hem vreest, de kleinen en de groten’” (Openb. 5:6, 7; 19:5, NW). Jezus sprak over hem als over „mijn Vader en uw Vader” en „mijn God en uw God”, en Jezus en alle schapen die hem volgen, vrezen God, en geen mensen of demonen. Hun vrees voor hem is geen ziekelijke angst die wordt veroorzaakt door een Babylonische verkeerde voorstelling van wie en wat Jehova is, doch de ware kennis van God die zij bezitten, openbaart hun zijn prijzenswaardige hoedanigheden. Zij scheppen er behagen in hem aan allen aan te bevelen en het verkeerde begrip dat anderen over hem hebben, recht te zetten. „In het openbaar en van huis tot huis” laten zij hun lofgezang over hem horen. Zij hebben geen loftuitingen voor het „gouden kalf” dat door het commerciële element dezer wereld is opgericht, of voor de politieke en militaire goden der natiën of voor de religieuze goden en afgoden die door de Christenheid en het heidendom worden vereerd. Zij hebben Babylonische aanbidding voor altijd de rug toegekeerd.
4, 5. Welke roep heffen zij aan en wat gelden hun lofgezangen derhalve?
4 „Looft Jah, gijlieden!” roepen zij over de gehele aarde uit. Zij kennen de unieke naam van de Allerhoogste God en zij maken zijn identiteit bekend aan allen die hem niet kennen. Zij openbaren alle heerlijkheid en roem die met zijn heilige naam zijn verbonden, en al het goede waarvoor deze naam instaat. Nadat zij deze roep hebben aangeheven, hebben de politici en staatslieden der wereld, ondersteund door de religieuze geestelijken, een symbool van wereldheerschappij opgericht. Voor de tweede Wereldoorlog had het de gedaante van de Volkenbond, doch thans heeft het de gedaante van de Verenigde Natiën. Er zijn politieke en religieuze krachtsinspanningen in het werk gesteld ten einde alle volken deze organisatie te laten verafgoden en er voor hun redding op te laten vertrouwen. Onlangs, op 7 september 1950, zeide de president der Verenigde Staten: „De Verenigde Natiën is onze enige hoop waarnaar wij voor een vreedzame wereld kunnen uitzien.” — INS bericht.
5 De grote schare slaven die God vrezen, kan er echter niet toe worden gebracht met het loven van hem op te houden. Zij weten wie hun Bevrijder, hun Schepper en hun hoop voor eeuwig leven in de nieuwe wereld is. Zij heffen geen misleidende lofgezangen aan voor de door mensen gemaakte politieke stelsels en heerschappijen dezer wereld, neen, voor geen enkel deel van het huidige Babylon. Hun lofgezang geldt het door Christus geregeerde koninkrijk van Jehova. Zij hebben hun zinnen niet op wereldse politiek gericht. Zij bezoedelen zich niet door zich in menselijke politiek te mengen. In dit opzicht houden zij vast aan de juiste definitie van reine aanbidding voor God: „De vorm van aanbidding die van het standpunt van onze God en Vader uit rein en onbesmet is, is deze: voor wezen en weduwen zorgen in hun verdrukking, en zichzelf
-