-
Goddelijke vrede voor hen die door Jehovah onderwezen zijnDe Wachttoren 1987 | 15 maart
-
-
Door Jehovah onderwezen zonen
8. Wie waren de eersten die zich door bemiddeling van Jezus Christus in deze vrede met God zouden verheugen?
8 Wie bezitten die vrede doordat zij door Jehovah zijn onderwezen en aandacht schenken aan zijn geboden? De bijbel geeft antwoord op deze vraag door onze aandacht eerst te richten op degenen die het geestelijke Israël vormen. Over hen wordt gesproken in Galaten 6:16, waar wij lezen: „Allen die volgens deze gedragsregel ordelijk zullen wandelen, op hen zij vrede en barmhartigheid, ja, op het Israël Gods.” Hier gaat het over de 144.000, die door God zijn uitverkoren tot hemels leven samen met Jezus Christus. — Openbaring 14:1.
9. Wat was de „gedragsregel” die de leden van het geestelijke Israël moesten volgen, wilden zij vrede genieten?
9 Destijds in de eerste eeuw leerden degenen die tot het geestelijke Israël behoorden een fundamentele waarheid, een „gedragsregel”, en alleen door die te volgen, konden zij vrede genieten. Het was uitermate belangrijk dat zij die gedragsregel begrepen. Meer dan vijftien eeuwen lang had Jehovah door middel van de Mozaïsche wet afschaduwingen van toekomstige goede dingen verschaft. Maar na de offerandelijke dood van Jezus Christus bezaten de vereisten van de Mozaïsche wet geen bindende kracht meer (Hebreeën 10:1; Romeinen 6:14). Dit bleek duidelijk uit de beslissing die het christelijke besturende lichaam in Jeruzalem had genomen inzake de kwestie der besnijdenis (Handelingen 15:5, 28, 29). In de geïnspireerde brief aan de Galaten werd dit nogmaals beklemtoond. De goede dingen die in de Mozaïsche wet werden afgeschaduwd, waren in werking getreden. Geduldig grifte Jehovah de betekenis van Zijn door bemiddeling van Christus tot uitdrukking gebrachte onverdiende goedheid, in de geest en het hart van Christus’ gezalfde volgelingen. Door geloof in deze voorziening aan de dag te leggen, door zich in overeenstemming ermee te gedragen, konden zij zich verheugen in een vrede zoals die nog nooit tevoren mogelijk was geweest voor zondige mensen. — Galaten 3:24, 25; 6:16, 18.
10. (a) Welke in Jesaja 54:13 opgetekende belofte ging voor de leden van het geestelijke Israël in vervulling? (b) Hoe heeft het strenge onderricht dat Jehovah hun heeft gegeven, ertoe bijgedragen dat zij zich in vrede verheugen?
10 Die leden van het geestelijke Israël beleefden de vervulling van de schitterende belofte die in Jesaja 54:13 opgetekend staat. Daar zei God zelf tot zijn met een echtgenote te vergelijken organisatie van loyale geestelijke schepselen: „Al uw zonen zullen door Jehovah onderwezen personen zijn, en de vrede van uw zonen zal overvloedig zijn.” Natuurlijk is haar voornaamste Zoon Jezus Christus zelf, die als de Messías werd voortgebracht toen hij in 29 G.T. met heilige geest werd gezalfd. Maar Jehovah’s hemelse „vrouw” heeft nog meer zonen — 144.000 anderen die het secundaire deel van het in Genesis 3:15 voorzegde zaad worden. Jehovah beloofde dat hij de Grootse Onderwijzer van al deze zonen zou zijn. Hij heeft hun de waarheid omtrent zichzelf en zijn voornemens geleerd. Hij heeft hun verteld hoe zij hem moeten dienen. Af en toe heeft hij hen streng moeten onderrichten. Dit is noodzakelijk geweest wanneer zij zijn Woord veronachtzaamden. Streng onderricht kan moeilijk te incasseren zijn. Maar zij hebben nederig erkend dat zij het nodig hadden en hebben de vereiste veranderingen aangebracht, en dat strenge onderricht heeft goede resultaten afgeworpen — „een vreedzame vrucht . . ., namelijk rechtvaardigheid”. — Hebreeën 12:7, 11; Psalm 85:8.
-
-
Goddelijke vrede voor hen die door Jehovah onderwezen zijnDe Wachttoren 1987 | 15 maart
-
-
15. Welk voor vrede zo belangrijke onderricht gaf Jehovah zijn toekomstige zonen tijdens Jezus’ aardse bediening?
15 Dit helpt ons te begrijpen wat Jezus volgens het in Johannes 6:45-47 opgetekende verslag zei. Hij sprak hier met joden die niet tot hem als de Messías getrokken werden en derhalve tegen hem murmureerden. Maar hij doelde op zijn discipelen toen hij zei: „Er staat geschreven in de Profeten [in Jesaja 54:13 om precies te zijn]: ’En zij zullen allen door Jehovah worden onderwezen.’ Een ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot mij. Niet dat iemand de Vader heeft gezien, behalve hij die van God afkomstig is; die heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.” Die discipelen aanvaardden het onderricht dat Jehovah hun gaf. Zij werden tot Jezus getrokken. Toen anderen de dingen die hij onderwees, verwierpen en Jezus de rug toekeerden, bleven zijn apostelen bij hem. Zoals Petrus zei: „Wij hebben geloofd en zijn te weten gekomen dat gij de Heilige Gods zijt” (Johannes 6:69). Wegens hun geloof in Jezus Christus zouden zij in een vreedzame verhouding met Jehovah God kunnen komen, een verhouding die de verzekering van eeuwig leven meebrengt.
16. (a) Hoe trokken Jezus’ volgelingen vanaf de pinksterdag in 33 G.T. voordeel van de voorziening die door bemiddeling van Christus was getroffen? (b) Wat werd er daarna van hen vereist?
16 Vanaf de pinksterdag in 33 G.T. werden de voordelen van Christus’ offer op die getrouwe volgelingen van Jezus toegepast. Wat Paulus later in Romeinen 5:1 schreef, ging ten aanzien van hen in vervulling: „Laten wij daarom, nu wij ten gevolge van geloof rechtvaardig verklaard zijn, vrede genieten met God door bemiddeling van onze Heer Jezus Christus.” Door geboorte waren zij allen nakomelingen van Adam. Als zondaars waren zij van God vervreemd. Geen van al de goede werken die zij persoonlijk misschien gedaan hadden, had de door hen overgeërfde zonde kunnen tenietdoen. Maar in Zijn onverdiende goedheid aanvaardde Jehovah het offer van Jezus’ volmaakte menselijke leven ten behoeve van Adams nakomelingen. Aan degenen die geloof oefenden in deze voorziening, kon nu rechtvaardigheid worden toegerekend en zij konden door God worden aangenomen als zonen met hemels leven in het vooruitzicht (Efeziërs 1:5-7). Maar was er van hun zijde nog meer nodig? Ja, zij moesten Jehovah’s wegen bewandelen. Zij mochten niet langer gewoontezondaars zijn. Zij beseffen echter dat alle rechtvaardigheid die zij bezitten, het resultaat is van Gods onverdiende goedheid die door bemiddeling van Christus tot uitdrukking is gebracht. Zoals de schriftplaats zegt, ’genieten zij vrede met God door bemiddeling van Jezus Christus’.
-