Psalmen
Aan de leider. Van de zonen van Ko̱rach.+ Maskil.*
44 O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
Onze voorvaders zelf hebben het ons verhaald,+
De activiteit die gij in hun dagen hebt verricht,+
In de dagen van weleer.+
2 Gijzelf hebt door uw hand zelfs natiën verdreven,+
En gij hebt toen hen [ervoor in de plaats] geplant.+
Gij hebt voorts nationale groepen verbroken en ze weggezonden.+
3 Want niet door hun eigen zwaard hebben zij het land in bezit genomen,+
En niet hun eigen arm heeft hun redding gebracht.+
Want het was uw rechterhand en uw arm+ en het licht van uw aangezicht,
Omdat gij een welgevallen in hen hadt.+
5 Door u zullen wij zelfs onze tegenstanders neerstoten;+
In uw naam zullen wij vertreden wie tegen ons opstaan.+
7 Want gij hebt ons van onze tegenstanders gered,+
En zij die ons intens haatten, hebt gij beschaamd gemaakt.+
9 Maar nu hebt gij ons verstoten en blijft gij ons te schande maken,+
En gij trekt niet uit met onze legers.+
10 Gij laat ons voortdurend achterwaarts wijken voor de tegenstander,+
En juist degenen die ons intens haten, hebben zich door plundering verrijkt.+
12 Gij verkoopt uw volk voor iets dat geen enkele waarde heeft,+
En gij hebt geen vermogen verworven door de prijs voor hen.
13 Gij stelt ons tot een smaad voor onze buren,+
Tot bespotting en beschimping voor wie rondom ons zijn.+
14 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de natiën,+
Tot een hoofdschudden onder de nationale groepen.+
15 De gehele dag staat mijn schande mij voor ogen,
En de schaamte van mijn eigen gezicht heeft mij bedekt,+
16 Wegens de stem van degene die smaadt en schimpend spreekt,
Wegens de vijand en degene die zijn wraak neemt.+
17 Dit alles is over ons gekomen, en wij zijn u niet vergeten,+
En wij hebben niet bedrieglijk gehandeld in uw verbond.+
19 Want gij hebt ons verbrijzeld op de plaats der jakhalzen,+
En gij overdekt ons met diepe schaduw.+
20 Indien wij de naam van onze God* hebben vergeten,
Of onze handpalmen uitbreiden naar een vreemde god,*+
21 Zal God zelf dat niet uitvorsen?+
Want hij is op de hoogte van de geheimen van het hart.+
23 Ontwaak toch. Waarom blijft gij slapen, o Jehovah?*+
Word toch wakker. Blijf niet voor eeuwig verstoten.+