Aan de leider. Van Da̱vid, om in herinnering te brengen.+
70 [Haast u toch,] o God, om mij te bevrijden,+
O Jehovah, snel mij toch te hulp.+
2 Mogen beschaamd en schaamrood worden wie mijn ziel zoeken.+
Mogen achterwaarts wijken en te schande worden wie behagen hebben in mijn rampspoed.+
3 Mogen terugkeren vanwege hun schaamte wie zeggen: „Ha, ha!”+
4 Mogen in u uitbundige vreugde hebben en zich verheugen, allen die u zoeken,+
En mogen zij voortdurend zeggen: „God zij grootgemaakt!” — zij die uw redding liefhebben.+
5 Maar ik ben ellendig en arm.+
O God, handel toch snel voor mij.+
Gij zijt mijn hulp en Degene die mij ontkoming verschaft.+
O Jehovah, wees niet te laat.+