13 Toen zei hij tot A̱bram: „Gij kunt voorzeker weten dat uw zaad een inwonende vreemdeling zal worden in een land dat niet het hunne is,+ en zij zullen hen moeten dienen, en dezen zullen hen stellig kwellen, vierhonderd jaar lang.+
4 En ook heb ik mijn verbond met hen opgericht om hun het land Ka̱naän te geven, het land van hun inwonende vreemdelingschap, waarin zij als vreemdelingen hebben vertoefd.+
9 En gij moogt een inwonende vreemdeling niet verdrukken,+ daar GIJZELF de ziel* van de inwonende vreemdeling* hebt gekend, want GIJ werdt inwonende vreemdelingen in het land Egy̱pte.+
6 Bovendien kwam hetgeen God sprak hierop neer, dat zijn nakomelingen als inwonende vreemdelingen+ zouden verkeren in een vreemd land+ en dat [men] hen in slavernij zou brengen en [hen] zou kwellen, vierhonderd jaar lang.+
9 Door geloof vertoefde hij als vreemdeling in het land der belofte als in een vreemd land+ en woonde in tenten+ met I̱saäk+ en Ja̱kob,+ die met hem erfgenamen waren van precies dezelfde belofte.+