8 En ik wil aan u en aan uw zaad na u het land van uw inwonende vreemdelingschap geven,+ ja, het gehele land Ka̱naän, als een bezit tot onbepaalde tijd; en ik zal mij stellig aan hen als God doen kennen.”+
4 Voorts zei Jehovah tot hem: „Dit is het land dat ik A̱braham, I̱saäk en Ja̱kob onder ede beloofd heb, toen ik zei: ’Aan uw zaad zal ik het geven.’+ Ik heb het u met eigen ogen laten zien, aangezien gij daarheen niet zult overtrekken.”+