3 En het volk dorstte daar voortdurend naar water, en het volk bleef tegen Mo̱zes murmureren en zeggen: „Waarom hebt gij ons uit Egy̱pte doen optrekken, om ons en onze zonen en ons* vee door dorst ter dood te brengen?”+
11Nu werd het volk als mensen die ten aanhoren van Jehovah over iets kwaads te klagen hebben.+ Toen het Jehovah ter ore kwam, ontstak hij in toorn, waarop er een vuur van Jehovah tegen hen ontbrandde en in het uiterste gedeelte van de legerplaats enigen verteerde.+
16 Deze mensen zijn murmureerders,+ klagers over hun levenslot,* die overeenkomstig hun eigen begeerten te werk gaan,+ en hun mond spreekt opgeblazen woorden,+ terwijl zij ter wille van [hun eigen] voordeel persoonlijkheden bewonderen.*+