21 Terstond zeiden zij tot hen: „Moge Jehovah op U zien en oordelen,+ want GIJ hebt ons tot een weerzinwekkende reuk gemaakt*+ voor Farao en voor zijn dienaren, zodat GIJ hun een zwaard in handen hebt gegeven om ons te doden.”+
2 En alle zonen van I̱sraël gingen tegen Mo̱zes en Aä̱ron murmureren,+ en de gehele vergadering ging tegen hen zeggen: „Waren wij maar in het land Egy̱pte gestorven, of waren wij maar gestorven in deze wildernis!
3 En het volk zocht ruzie+ met Mo̱zes* en zei: „Hadden wij maar de laatste adem uitgeblazen toen onze broeders de laatste adem uitbliezen voor het aangezicht van Jehovah!+