4 En aan I̱saäk gaf ik voorts Ja̱kob en E̱sau.+ Later gaf ik aan E̱sau het gebergte Se̱ïr, om dat in bezit te nemen;+ en Ja̱kob en zijn zonen trokken af naar Egy̱pte.+
10 En nu, zie, de zonen van A̱mmon,+ en Mo̱ab+ en het bergland Se̱ïr,+ wier [land] I̱sraël van u niet mocht binnenvallen toen zij uit het land Egy̱pte kwamen, maar zij weken van hen en verdelgden hen niet,+
26 En hij heeft uit één [mens]+ elke natie+ van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen,+ en hij heeft de bestemde tijden+ en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der [mensen] verordend,+