14 Maar ingeval iemand iets van zijn naaste vraagt+ en het werkelijk verminkt raakt of sterft terwijl de eigenaar ervan er niet bij is, dient hij zonder mankeren vergoeding te geven.+
7 Zij dan ging het aan de man van de [ware] God vertellen, en hij zei nu: „Ga heen, verkoop de olie en betaal uw schulden,+ en gij [en] uw zonen dienen te leven van wat er nog over is.”+