9 Wee degene die heeft getwist met zijn Formeerder,+ als een scherf van aardewerk met de andere scherven van aardewerk van de grond! Dient het leem+ soms tot zijn formeerder te zeggen: „Wat maakt gij?” En uw werk: „Hij heeft geen handen”?
20 O mens,+ wie zijt gij dan toch, dat gij God wilt tegenspreken?+ Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: „Waarom hebt gij mij zo gemaakt?”+