21 om Jehovah’s woord bij monde van Jeremi̱a te vervullen,+ totdat het land zijn sabbatten had afbetaald.+ Al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat, om zeventig jaar te vervullen.+
11 Hierop zei ik: „Hoe lang, o Jehovah?”*+ Toen zei hij: „Totdat de steden werkelijk tot puinhopen instorten, om zonder inwoner te zijn, en de huizen zonder aardse mens zijn, en de grond zelf geruïneerd is tot een woestenij;+
11 Men heeft het tot een verlaten woestenij gemaakt;+ het is verwelkt;* het is voor mij vereenzaamd.+ Het gehele land is woest gelegd, omdat er geen mens* is die [het] ter harte heeft genomen.+
28 En ik zal het land werkelijk tot een verlaten woestenij maken,+ ja, tot een verwoesting, en aan de trots van zijn sterkte moet een eind worden gemaakt+ en de bergen van I̱sraël moeten woest gelegd worden,+ zonder dat er iemand doorheen trekt.