33 En U zal ik onder de natiën verstrooien,+ en ik wil een zwaard achter U ontbloten;+ en UW land moet een woestenij worden,+ en UW steden zullen een verlaten ruïne worden.
14 En hij voerde heel Jeru̱zalem in ballingschap+ en alle vorsten+ en alle dappere, sterke+ mannen — tienduizend voerde hij er in ballingschap — en ook iedere handwerksman+ en bouwer van bolwerken. Niemand was achtergelaten behalve de geringe klasse+ van het volk van het land.
21 En de koning van Ba̱bylon sloeg hen toen neer+ en bracht hen ter dood te Ri̱bla, in het land van Ha̱math.+ Zo ging Ju̱da in ballingschap, weg van zijn bodem.+
9 En de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en de overlopers die naar hem waren overgelopen, en de rest van het volk dat was overgebleven, voerde Nebuza̱radan,+ de overste van de lijfwacht,+ in ballingschap naar Ba̱bylon.+
27 En dezen werden vervolgens door de koning van Ba̱bylon neergeslagen+ en ter dood gebracht in Ri̱bla,+ in het land van Ha̱math.+ Zo ging Ju̱da in ballingschap, weg van zijn bodem.+