14 Hierop zei hij: „Neen, maar ik — als vorst van het leger van Jehovah* ben ik nu gekomen.”+ Toen viel Jo̱zua op zijn aangezicht ter aarde en wierp zich neer+ en zei tot hem: „Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen?”
6 Want een kind is ons geboren,+ een zoon is ons gegeven;+ en de vorstelijke heerschappij* zal op zijn schouder komen.+ En zijn naam zal worden genoemd: Wonderbaar Raadgever,*+ Sterke God,*+ Eeuwige Vader,*+ Vredevorst.*+
21 Ik zal u evenwel de dingen vertellen die staan opgetekend in het geschrift der waarheid,+ en er is niemand die mij in deze [dingen] krachtig terzijde staat dan Mi̱chaël,*+ de vorst van ulieden.+