6 In het negende jaar van Hose̱a nam de koning van Assy̱rië Sama̱ria in,+ waarna hij I̱sraël in ballingschap voerde+ naar Assy̱rië en hen liet wonen in Ha̱lah+ en in Ha̱bor aan de rivier de Go̱zan+ en in de steden van de Meden.+
15 „Al hun slechtheid was in Gi̱lgal,+ want daar moest ik hen haten.+ Wegens de boosheid van hun handelingen zal ik hen uit mijn eigen huis verdrijven.+ Ik wil hen niet langer liefhebben.+ Al hun vorsten handelen eigenzinnig.+