12 En het moet geschieden dat wanneer Jehovah* al zijn werk op de berg Si̱on en in Jeru̱zalem voleindigt, ik afrekening zal houden voor de vrucht van de onbeschaamdheid van het hart van de koning van Assy̱rië en voor de eigendunk van de hovaardigheid van zijn ogen.+
11 en gij moet zeggen: „Ik zal optrekken tegen het land van het open plattelandsgebied.+ Ik zal komen over degenen die rust genieten, die in zekerheid wonen, allen wonend zonder muur,+ en zij hebben zelfs geen grendels en deuren.”
4 Ziet! Het loon dat de werkers toekomt die UW velden hebben geoogst maar dat GIJ hebt ingehouden,+ blijft het uitroepen,+ en de hulpkreten+ van de zijde der oogsters zijn tot de oren+ van Jehovah* der legerscharen doorgedrongen.
5 Evenzo GIJ jongere mannen, weest onderworpen+ aan de oudere mannen. Omgordt U allen echter met ootmoedigheid des geestes jegens elkaar,+ want God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.+