12 Uiteindelijk ging Jo̱jachin, de koning van Ju̱da, uit tot de koning van Ba̱bylon,+ hij met zijn moeder+ en zijn dienaren en zijn vorsten en zijn hofbeambten; en de koning van Ba̱bylon nam hem ten slotte [gevangen] in het achtste+ jaar dat hij koning was.
11 En de rest van het volk+ dat in de stad achtergelaten was, en de overlopers die overgelopen* waren naar de koning van Ba̱bylon, en de rest van de menigte voerde Nebuza̱radan, de overste van de lijfwacht, in ballingschap weg.+