34 En Ja̱kob gaf E̱sau brood en het linzegerecht, en hij ging eten en drinken.+ Daarna stond hij op en ging heen. Zo verachtte E̱sau het eerstgeboorterecht.+
41 E̱sau koesterde echter een vijandige gezindheid tegenover Ja̱kob wegens de zegen waarmee zijn vader hem had gezegend,+ en E̱sau bleef in zijn hart zeggen:+ „De dagen van de rouwtijd over mijn vader komen naderbij.+ Daarna zal ik mijn broer Ja̱kob doden.”+
16 dat er geen hoereerder is noch iemand die geen waardering heeft voor heilige dingen, zoals E̱sau,+ die in ruil voor één maaltijd zijn rechten als eerstgeborene weggaf.+