14 En hij moet tot een heilige plaats* worden;+ maar tot een steen waaraan men zich stoot en tot een rots waarover men struikelt+ voor de beide huizen van I̱sraël, tot een val en tot een strik voor de inwoners* van Jeru̱zalem.+
3 Is dit niet de timmerman,+ de zoon van Mari̱a+ en de broer van Jako̱bus+ en Jo̱zef* en Ju̱das en Si̱mon?+ En zijn zijn zusters niet hier bij ons?” Zij dan namen aanstoot aan hem.+