7 Is het niet, uw brood aan de hongerige uitdelen,+ en dat gij de gekwelde, dakloze mensen in [uw] huis zoudt brengen?+ Dat gij, ingeval gij een naakte ziet, hem moet bedekken,+ en dat gij u voor uw eigen vlees niet zoudt verbergen?+
20 Indien iemand de bewering uit: „Ik heb God lief” en toch zijn broeder haat, is hij een leugenaar.+ Want wie zijn broeder, die hij heeft gezien, niet liefheeft,+ kan God, die hij niet heeft gezien,+ niet liefhebben.