30 Terwijl ze voor Mozes stonden, probeerde Kaleb het volk te kalmeren door te zeggen: ‘Laten we meteen optrekken. We zullen het land zeker innemen, want we kunnen het echt veroveren.’+
65 Want Jehovah had over hen gezegd: ‘Ze zullen allemaal sterven in de woestijn.’+ Er was dus niemand van hen overgebleven, behalve Kaleb, de zoon van Jefu̱nne, en Jozua, de zoon van Nun.+