38 Toen vertrokken de priester Za̱dok, de profeet Nathan, Bena̱ja+ (de zoon van Jo̱jada) en de Kre̱thi en de Ple̱thi.+ Ze lieten Salomo op het muildier van koning David+ rijden en brachten hem naar Gi̱hon.+
16 Daarom zegt de Soevereine Heer Jehovah: ‘Ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen.+ Ik zal de Kerethieten verwijderen+ en ik zal de overgebleven bewoners van de zeekust vernietigen.+