20 E̱hud ging naar de koning toe, die helemaal alleen was in zijn koele kamer op het dak. E̱hud zei: ‘Ik heb een boodschap van God voor u.’ Vervolgens stond de koning op van zijn troon.*
19 Maar hij zei tegen haar: ‘Geef mij je zoon.’ Toen nam hij hem uit haar armen. Hij droeg hem naar de kamer op het dak, waar hij logeerde, en legde hem op zijn eigen bed.+