5 Nu was er in de vesting Su̱san+ een Joodse man die Mo̱rdechai+ heette. Hij was de zoon van Ja̱ïr, de zoon van Si̱meï, de zoon van Kis, een Benjaminiet,+
7 Mo̱rdechai was de voogd* van zijn nicht*+ Hada̱ssa,* ook Esther genoemd, want ze had geen vader en geen moeder meer. De jonge vrouw was mooi en aantrekkelijk, en bij de dood van haar vader en moeder had Mo̱rdechai haar als zijn dochter aangenomen.