DELAJA
(Dela̱ja) [Jehovah heeft omhooggetrokken (om te redden)].
1. Een Aäronitische priester in Davids tijd die door het lot als hoofd van de 23ste priesterafdeling werd aangewezen. — 1Kr 24:1, 5, 18.
2. Zoon van Semaja; hij was een van de vorsten aan het hof van koning Jojakim die Baruch uit het door Jeremia geschreven boek hoorde voorlezen en daarna blijkbaar verslag uitbracht aan de koning. Toen de rol vervolgens aan Jojakim werd voorgelezen, smeekten Delaja en twee andere vorsten de koning tevergeefs de rol niet te verbranden. — Jer 36:11-26.
3. De voorvader van zekere personen die in 537 v.G.T. met Zerubbabel naar Jeruzalem terugkeerden, maar die niet konden bewijzen dat zij Israëlieten waren. — Ezr 2:1, 59, 60; Ne 7:61, 62.
4. Zoon van Mehetabeël en de vader van de Semaja die door Sanballat en Tobia werd gehuurd om Nehemia, de stadhouder, te intimideren. — Ne 6:10-13.
5. Een van de zeven zonen van Eljoënai; een nakomeling van David via Salomo. — 1Kr 3:10, 24.