SMYRNA
(Smyrna) [mirre].
In de oudheid een stad aan de westkust van Klein-Azië; nu Izmir genoemd. Smyrna, waar in het verre verleden Grieken woonden, werd omstreeks 580 v.G.T. door de Lydische koning Alyattes verwoest. Meer dan twee eeuwen later maakte Alexander de Grote plannen om het als een Griekse stad te herbouwen; zijn opvolgers realiseerden dit project op een andere plek. Smyrna werd daarna een belangrijke handelsstad. Toen Smyrna later tot de Romeinse provincie Asia behoorde, was het met zijn prachtige openbare gebouwen beroemd om zijn schoonheid. Het had een tempel van Tiberius Caesar en bevorderde derhalve de keizeraanbidding.
Smyrna was de tweede van de zeven christelijke gemeenten in Klein-Azië waaraan de apostel Johannes in opdracht van de verheerlijkte Jezus Christus een boodschap schreef (Openb. 1:11). De gemeente is in materieel opzicht arm, maar in geestelijk opzicht rijk. Ze wordt op de proef gesteld door verdrukking (klaarblijkelijk vervolging) en wordt belasterd door sommigen die zichzelf joden noemen, maar die in werkelijkheid „een synagoge van Satan” zijn. Maar ondanks hun armoede en verdrukking worden de christenen van de gemeente in Smyrna aangemoedigd niet bevreesd te zijn voor de dingen die zij nog zullen lijden, maar „getrouw [te zijn], zelfs tot de dood”, teneinde „de kroon des levens” te ontvangen. — Openb. 2:8-11.