Mijn muziek op de juiste plaats houden
TOEN ik als achtjarig jochie in Philadelphia (VS) woonde, had ik het gevoel dat ik op een of andere manier anders was. Op zekere dag pakte ik een scheermesje en gaf een flinke snee in mijn vinger, met de gedachte dat als ik net zo bloedde als andere mensen, ik ook hetzelfde einde zou ervaren als zij — zoals onze buurman verderop in het blok, die doodgegaan was en uiteindelijk in een lijkkist was terechtgekomen. Ik keek toe terwijl het bloed uit de wond gutste. „Benny Golson”, zei ik tegen mijzelf, „ook jij gaat eens dood.”
Gedurende zo’n jaar of vijf daarna hielden zorgelijke overpeinzingen over de dood mijn geest bij tijd en wijle bezig als ik alleen was. Ik keek dan naar mijn handen, bewoog ze, luisterde naar mijn stem terwijl ik enkele woorden sprak, en bekeek mijzelf in de spiegel. Ik was bang, omdat ik wist dat ik er eens niet meer zou zijn.
Ik wilde niet doodgaan. Ik wilde leven. Maar het leek nu alsof ik aan een wedloop tegen de tijd meedeed, aangezien de mij toegemeten tijd nu niet bepaald verschrikkelijk lang was.
Muzikale neigingen
Omdat ik veel belangstelling voor muziek aan de dag legde, begon mijn moeder mij op mijn negende jaar pianoles te geven. Toen ik veertien jaar was, nam ik de tenorsaxofoon erbij. Ik verloor mijn hart aan dat instrument. Iedere keer als Lionel Hampton naar het Earle Theater kwam, zat ik daar om elke toon in te drinken, terwijl ik wenste dat ik zo kon spelen als zijn saxofoonsolist, Arnett Cobb.
Omstreeks die tijd, gedurende de Tweede Wereldoorlog, repeteerde ik met nog een paar aankomende tienermuzikanten heel wat af. Tijdens een van deze repetities bij mij thuis zei een kennis, een veel oudere man: „Nog even en jullie zijn allemaal verstokte rokers, drinkers en dope-gebruikers.” Ik was verontwaardigd, en gaf hem te verstaan dat muziek het enige was wat ons interesseerde. Maar hij herhaalde wat hij gezegd had en voegde eraan toe: „Wacht maar af.”
De boosheid die hij in mij wekte, ging als een soort verdedigingsmechanisme werken. Ik was vastbesloten een musicus te worden die „clean” was, en hoewel ik kans zag deze dingen te vermijden, vielen velen van mijn vroegere vrienden, onder wie ook enkelen van degenen die bij de repetitie van die avond geweest waren, er later wel aan ten prooi. Sommigen zijn inmiddels zelfs gestorven aan overmatig druggebruik.
Begin van een carrière
In 1948 ging ik naar de kweekschool van de Howard Universiteit in Washington, D.C., om een onderwijzersopleiding te volgen. Toch bleef muziek mijn grote liefde. Heel dikwijls werd ik in mijn dagdromen een internationaal erkend musicus, en het oefenen op de saxofoon nam al mijn aandacht in beslag. Zouden lessen in psychologie, openbaar spreken, en dergelijke mij helpen mijn saxofoon beter te bespelen of nieuwe melodieën te scheppen? Op zekere dag pakte ik mijn spullen, om nooit meer naar school terug te keren.
Ik had het gevoel dat ik klaar was om de wereld te lijf te gaan, omdat ik buiten het universiteitsterrein vrij veel in plaatselijke nachtclubs had gespeeld. Ik kreeg zeven dollar voor elk orkestarrangement (17 partijen) en de bands speelden alles wat ik schreef. Geld kon mij niet schelen — het ging mij om de ervaring die ik wilde opdoen.
Toen ik weer thuis kwam in Philadelphia kreeg ik een aanbieding om in het orkest van „Bullmoose” Jackson, een populaire zanger, te komen spelen. Tadd Dameron zat achter de piano. Hij was een van mijn idolen als arrangeur. Ik had het gevoel dat ik eindelijk vast in het zadel zat.
Prestaties in de muziek
Later, toen ik bij een ander orkest werkte, schreef ik in mijn vrije uren jazzmelodieën. Tijdens onze reizen van de ene stad naar de andere gaf ik ze aan musici in die verschillende plaatsen.
„Hé, Benny, herinner je je nog dat stuk dat ik meegenomen heb naar New York?” vroeg John Coltrane, een van deze musici, toen hij mij op zekere dag op straat ontmoette. „Nou, Miles vond het zo goed dat wij er een opname van hebben gemaakt.”
Ik was in de wolken, want Miles Davis was een van de meest vooraanstaande platenartiesten in de jazz. Die opname, „Stablemates”, vormde het begin van mijn loopbaan als jazzcomponist.
Daarna leek het wel of iedereen wilde dat ik muziek voor hen schreef of arrangeerde. Het gevolg was dat ik dag in dag uit zat te schrijven. Ik probeerde gestalte te geven aan mijn overtuiging dat een song, ook al was het jazz, melodieus moest zijn. Later werd die overtuiging mijn handelsmerk en mogelijk ligt ze ook ten grondslag aan mijn succes als jazzcomponist. Ongeveer in diezelfde tijd begon ik bovendien een bekende tenorsaxofonist te worden.
In 1956 kwam er een telefoontje van „Dizzy” Gillespie om in zijn orkest te komen spelen. Hij kwam net terug van een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS gesponsorde tournee door het Midden-Oosten en stond op het punt aan een soortgelijke reis naar Zuid-Amerika te beginnen. Terwijl ik bij hem optrad, behaalde ik de eerste prijs in de Downbeat International Jazz Poll als „Nieuwe Top-Tenorsaxofonist” en „Nieuwe Toparrangeur”. Toen Gillespies band ten slotte uit elkaar ging, besloot ik in New York te blijven om mij stevig in het netwerk van muzikale activiteit te nestelen.
Iets waarin ik wilde geloven
Toen ik in New York was, kwamen Jehovah’s Getuigen bij mij aan de deur. Ik vond dat het toegewijde mensen waren, maar dat zij hun tijd verknoeiden. Wie had er nu tijd om religieuze tijdschriften te lezen? Ik gooide de mijne in de vuilnisbak zodra zij weg waren. Het enige echter dat mij bijbleef, was hoe welgemanierd en vriendelijk zij waren.
Toen ik een keer een week lang in het Apollo Theater in New York optrad, zag ik een echtpaar met tijdschriften in de hand bij de toneelingang staan. Toen ik zag dat het exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! waren, dacht ik bij mijzelf: „Het is toch niet waar! Zijn ze hier ook al!” Maar ik merkte ook op dat alle musici, onder wie zich heel wat keiharde kerels bevonden, hen vriendelijk en beleefd bejegenden. Ik begreep dat niet. Later vernam ik dat Paul White, de man die daar met zijn vrouw stond, in de showbusiness had gezeten en velen van de artiesten persoonlijk kende. Zij stelden zich ten doel de mensen over Gods voornemen te vertellen.
Ten slotte spraken zij mij aan. Ik was uit louter nieuwsgierigheid bereid aan te horen wat zij te vertellen hadden. En toen drong het tot mij door waarom de andere jongens zo beleefd en voorkomend waren. Dit waren de vriendelijkste en zachtmoedigste mensen die ik ooit had ontmoet. Maar zij praatten over dingen die mij pure verzinsels leken — het einde van dit gehele samenstel van dingen en de vervanging ervan door een nieuw samenstel, waar de mensen voor eeuwig in geluk op aarde zouden leven. — 2 Petr. 3:13; Openb. 21:3, 4.
Ik wilde daar graag in geloven, als het maar waar was. Maar dat kan toch zeker niet? Ik had „dominee” Lewis in de Faith Tabernacle Church in Philadelphia nooit over dergelijke dingen horen spreken. Ik ontmoette Paul en Ida White weer in Chicago, toen ik in het Regal Theater speelde. Later spraken zij met mij in Miami, Florida. „Die mensen zijn werkelijk toegewijd, of stapelgek, of allebei”, dacht ik.
Hulp van een andere musicus
Een paar jaar later formeerden Art Farmer en ik een groep, „The Jazztet” genaamd. Na verloop van tijd kwam Tom McIntosh bij ons, een trombonist. Later hoorden wij dat hij de bijbel bestudeerde met Jehovah’s Getuigen. Hij had het altijd over wat hij leerde en sprak erover met iedereen die hij ontmoette — om het even of het serveersters waren, clubeigenaren, retiradepersoneel, collega-musici of sponsors. Ik kan me niet herinneren hem ooit uit het veld geslagen te hebben gezien en nooit voelde hij zich in verlegenheid gebracht.
Dikwijls reisden wij met een stationcar van het ene optreden naar het andere in verschillende steden. Toen Tom met ons begon mee te rijden, onderging onze conversatie een drastische wijziging in de richting van de bijbel. Om een of ander reden wilden de jongens altijd proberen te bewijzen dat Tom ongelijk had. Maar hij beriep zich dan op de Schrift en zei „Kijk maar eens wat hier staat.”
Het duurde niet lang of de collega’s begonnen genoeg te krijgen van Tom, omdat de bijbel hem keer op keer in het gelijk stelde. Zij spraken zelfs af hem te beletten nog langer over zijn geloof te praten. Maar toen gebeurde er iets eigenaardigs. Tom had precies genoeg informatie gegeven om hen nieuwsgierig te maken, en dus brachten zij steeds weer bijbelse onderwerpen ter sprake, meestal beginnend met een vraag. En zo kwam er nooit een eind aan de bijbelse gesprekken in de stationcar.
In de tijd dat Tom bij de groep was vertelde hij mij iets dat nog lang nadat hij vertrokken was in mijn geest zou blijven naklinken. „Jij doet een heleboel goede dingen”, zei hij, „maar je zult er nooit de voordelen van genieten.” Hij bedoelde dat ik mijn leven in overeenstemming zou moeten brengen met al Gods vereisten, niet slechts met een deel daarvan, als ik de voordelen van Zijn gave van eeuwig leven wilde genieten. — Rom. 6:23; Joh. 17:3.
Nu vond ik dat ik moest weten wat Gods wil was. Dus toen de groep een poosje later uit elkaar ging, begonnen mijn vrouw Bobbie en ik met Tom in New York de bijbel te bestuderen. Door onze studies leerde ik kwesties te begrijpen die mij lange tijd verbaasd en zelfs verontrust hadden. Het bange jochie dat ik geweest was had ongelijk — het was wel degelijk mogelijk om aan de dood te ontkomen. De mensen, zo leerde ik, waren oorspronkelijk niet bestemd om te sterven, maar om eeuwig in een aards paradijs te leven. En door middel van de offerandelijke dood van Jezus Christus werd voor de mensen de weg geopend om uiteindelijk het vooruitzicht op eeuwig leven te genieten. — Joh. 3:16.
Een nieuwe levenswijze
Kort daarop, in 1967, vertrokken wij naar Los Angeles. Ik wilde voor film en televisie gaan schrijven. Vele gevestigde musici en vrienden van mij waren al eerder naar de westkust verhuisd en bleven tegen mij zeggen: „Kom nu toch.” En dat deed ik uiteindelijk.
In Los Angeles was mijn hele streven erop gericht vaste voet te krijgen in de muziekindustrie. Ik zette mijn saxofoon tijdelijk opzij en wierp mij met al mijn energie op het schrijven voor de film. Mettertijd schreef ik niet alleen voor televisieshows als Mission Impossible en de Partridge Family maar ook voor speelfilms. Materieel ging het mij voor de wind, maar ik scheen voor niets anders tijd te hebben. Toen wij pas in Los Angeles woonden, zei ik steeds dat wij Jehovah’s Getuigen zouden opzoeken zodra ik vaste grond onder de voeten zou hebben. Het kwam er nooit van. Hoe meer ik in materieel opzicht bereikte, des te meer wilde ik hebben, precies zoals de bijbel het in Prediker 5:10 zegt. — Matth. 16:26.
Toen ik op zekere dag thuiskwam, wachtte mijn vrouw mij aan de deur op met de woorden: „Raad eens? De Getuigen zijn hier vandaag geweest.” Ze zei dat de Getuigen de volgende week zouden terugkomen. Later hoorden wij dat Tom gevraagd had iemand met dezelfde belangstelling — muziek, uiteraard — naar mijn huis te sturen. Al Kavelin kwam met zijn vrouw, en Al was een succesvolle bandleider geweest.
Door onze hervatte studies begonnen wij ten slotte werkelijke waardering voor heilige dingen aan te kweken. Na verloop van tijd droegen zowel mijn vrouw als ik ons leven aan Jehovah God op om hem te dienen en symboliseerden dit door de waterdoop. Na tot christelijke rijpheid te zijn gegroeid, werd ik uiteindelijk als ouderling in de gemeente aangesteld.
Het evenwicht bewaren
Ja, ik houd van muziek. Dat heb ik altijd gedaan. En ik bid voortdurend dat ik ten aanzien van die liefde het juiste christelijke evenwicht mag bewaren. Ik besef dat hoe goed ik mijn instrument ook bespeel of hoe goed de song is die ik schrijf of hoe goed een filmpartituur ook uitvalt of welke andere successen ik ook behaal, geen van deze dingen, zelfs niet alle te zamen, mij waardig maakt om in Gods nieuwe samenstel te leven. Het is nu meer dan twaalf jaar geleden sedert ik mij aan Jehovah heb opgedragen en ik kan getuigen dat een mens er waakzaam op moet toezien dat hij zijn geestelijke gezindheid blijft behouden.
Kort na mijn doop bijvoorbeeld begon ik christelijke vergaderingen over te slaan. Mijn muziek begon belangrijkere geestelijke belangen weer te verdringen. Maar een christelijke ouderling bracht vriendelijk onder mijn aandacht wat er gaande was en dankbaar voor zijn hulp bracht ik veranderingen aan. Geld en een reputatie in de muziekwereld waren voor mij niet langer de belangrijke dingen in het leven. Betekent dit dat ik mijn werk als musicus en componist opgegeven heb?
Neen, dat betekent het niet. Ik ben mij ervan bewust dat het soort werk dat ik doe iemand kan blootstellen aan een slechte omgeving — veel musici zitten verstrikt in drugs en immoraliteit. Maar weet u ook maar één wereldse werksituatie, al dan niet beroepsmatig, te bedenken waar geen sporen te vinden zijn van oneerlijkheid, corruptie, immoraliteit, alcoholisme, gokzucht of dergelijke? Die dingen, en zelfs drugs, komen tegenwoordig in alle lagen van de maatschappij voor. In vrijwel geen enkele baan zijn ze te ontlopen.
Wanneer de geestelijke gezindheid van een christen evenwel begint te lijden onder zijn werkomstandigheden, moet dit onder zijn aandacht gebracht worden, zoals dat in mijn geval gebeurde. Ik deed de noodzakelijke stappen om mijn geestelijke gezindheid veilig te stellen. En als musicus heb ik gelegenheden om tot velen in het amusementsbedrijf te spreken die nooit door andere Getuigen met de Koninkrijksboodschap bereikt zouden kunnen worden.
Reeds lang neemt de muziek een veel minder belangrijke plaats in mijn leven in dan in vroeger jaren. Het voorrecht Jehovah te dienen, is mijn allerkostbaarste bezit. Hij wil dat zijn volk gelukkig is en ik ben gelukkig. Bovendien heb ik het vertrouwen dat ik, indien ik de beloning van leven in zijn nieuwe samenstel verwerf, voor eeuwig gelukkig zal zijn, met of zonder saxofoon. — Ingezonden.