Mijn dorst naar God gelest
IK HAD tien jaar aan Zuidamerikaanse seminaries gestudeerd, en de laatste drie jaar daarvan had ik mij gespecialiseerd in theologie en filosofie. Maar nu kwam een nederige boer mij vertellen dat hij mij kon helpen de bijbel te begrijpen. Omdat ik teleurgesteld was in het onderwijs op de seminaries, luisterde ik.
Wat had mij ertoe bewogen priester te willen worden? En waarom was na al die jaren op de seminaries mijn dorst naar God toch ongelest gebleven?
Van nederige afkomst
Mijn ouders brachten ons, zeven jongens, in Vallegrande in Bolivia groot. Wij woonden in een vruchtbaar dal, fokten vee en verbouwden gewassen als maïs, pinda’s en aardappels. Ons dorp Naranjal lag afgelegen en daarom had ik weinig gelegenheid om naar school te gaan. Ik leerde echter wel lezen en schrijven.
Elk jaar bezocht een rooms-katholieke priester ons dorp voor het plaatselijke religieuze feest. Ik bewonderde altijd de manier waarop hij over God sprak. Bij een van die bezoeken maakte hij bekend dat er in Bolivia een seminarie was geopend om jonge mannen op te leiden tot priester. Toen ik zei dat ik over God wilde leren, begon hij zich voor mij te interesseren. Hij zei: „Je kunt als het ware een ladder worden door mensen te helpen in de hemel te komen.”
Ik wilde dolgraag naar het seminarie om kennis over God te verwerven. Ik hoopte dat daar iets van de verwarring die ik voelde, zou worden weggenomen. Hoewel mijn moeder mij bijvoorbeeld had geleerd dat de bergen, bloemen en bomen gaven van God waren, vertelde zij ook dat God sommige mensen naar de hel stuurt om er verschrikkelijke pijnigingen te ondergaan. ’Hoe kan God nu zo zijn?’, vroeg ik mij af.
De opleiding aan het seminarie
Het nieuwe seminarie bevond zich in Tupiza, een stadje in een schitterend dal. Ik kwam er in 1958 aan. Toen ik jonger was, vond ik het heerlijk een heuvel op te klimmen en er over onze liefdevolle Schepper te mediteren. Ik was echter teleurgesteld dat ik op het seminarie niet veel over God leerde. Ze hadden er niet eens een volledige bijbel — alleen het „Nieuwe Testament”. Toen ik vroeg hoe ik aan een bijbel kon komen, zeiden de leraren dat ik geduld moest hebben.
Na het eerste jaar kwamen slechts drie van ons ervoor in aanmerking de opleiding te vervolgen. Alle anderen werden naar huis gestuurd. Aangezien wij maar met zo weinig waren, werden wij naar Buenos Aires (Argentinië) gestuurd om onze studie voort te zetten. Toen ik op het San Miguel-seminarie aankwam, was ik geïmponeerd. Het leek zo geweldig groot. ’Hier zal ik vast dicht tot God kunnen komen’, dacht ik. Wij studeerden Latijn, Grieks, Engels en Frans en wij lazen over het leven van degenen die in de Katholieke Kerk als „heiligen” worden vereerd. Maar deze studies lieten een gevoel van leegte bij mij achter. Mijn vragen bleven onbeantwoord.
„Hoe kan God een Drieëenheid zijn?”, vroeg ik een van de leraren. Hij antwoordde dat zelfs grote theologen als de dertiende-eeuwse Italiaan Thomas van Aquino niet in staat waren geweest zulke dingen te verklaren. Ik had nog steeds nooit de volledige bijbel gezien en daarom informeerde ik bij een van de hoogleraren naar het „Oude Testament”.
„Dat is alleen voor protestanten”, zei hij.
Ik vroeg mij af hoe dat kon, aangezien ik wist dat Jezus er dikwijls aanhalingen uit had gedaan. Ik raakte gefrustreerd en gedeprimeerd.
Na verloop van tijd werden zes van ons geselecteerd als novicen en wij legden de geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid af. Na een studie van een jaar als novicen gingen wij naar het seminarie in Córdoba (Argentinië). Wij mochten alleen maar religieuze kleding dragen, bestaande uit een zwarte toga met een witte boord, en een rozenkrans met een groot crucifix. Ik was vol verwachting; nu zou ik voor het eerst een opleiding in de theologie krijgen.
Verdere teleurstelling
Een belangrijk onderdeel van de opleiding theologie was een studie van de hogere kritiek, die de bijbel net als elk ander boek als een literair werk beschouwt. Ik was teleurgesteld dat mijn vele vragen nog steeds niet werden beantwoord. Ik raakte goed bevriend met een bisschop. „Hoe kan het nu dat de bijbel zegt dat Jezus in de hel was?”, vroeg ik (Handelingen 2:31). Maar hij ontweek mijn vraag eenvoudig.
Er waren ook heel wat morele vragen die mij dwarszaten. Ik stelde een theoloog vragen over masturbatie en over seks tussen ongehuwden. In plaats van te verwijzen naar wat Gods Woord over zulke aangelegenheden zegt, was hij enthousiast over de nieuwste ideeën van bekende theologen in Parijs. Hij liet mij een van hun boeken zien. „Zij zeggen dat deze dingen niet zondig zijn”, vertelde hij. „Je hoeft je er echt niet druk over te maken.” Maar het antwoord bevredigde mij niet.
Op een dag was ik in de bibliotheek van het seminarie aan het rondneuzen toen ik toevallig een boek opensloeg dat in het Frans was geschreven. Psalm 42:2 werd erin geciteerd, waar staat: „Mijn ziel dorst inderdaad naar God.” Ik dacht bij mijzelf: ’Dat is nu precies hoe ik me voel.’ Toen ik kort daarna thuis op bezoek was, ging ik naar het klooster in het nabijgelegen stadje Vallegrande. Daar zag ik in de boekwinkel een exemplaar van de volledige bijbel — de Nácar-Colungavertaling. Het was de eerste keer dat ik een volledige bijbel zag. Ik vroeg of ik hem kon kopen, hoewel ik amper geloofde dat dat mogelijk zou zijn. Wat was ik gelukkig toen ik die winkel uitstapte met mijn eigen bijbel onder mijn arm!
Ik liep zingend en fluitend naar huis. Zodra ik thuis was, begon ik Psalm 42 te lezen, die begint met de woorden: „Zoals de hinde die verlangt naar de waterstromen, zo verlangt mijn eigen ziel naar u, o God. Mijn ziel dorst inderdaad naar God, naar de levende God.” ’Misschien’, zo dacht ik, ’zal mijn dorst naar God nu worden gelest.’ Maar ik besefte al snel dat ik hulp nodig zou hebben om bijbelse antwoorden op mijn vragen te vinden. Mijn studies aan het seminarie verschaften mij die hulp niet.
In 1966 kreeg ik te horen dat er in de buurt van Cochabamba, in mijn geboorteland Bolivia, een hoger seminarie was geopend, dat zich specialiseerde in theologie en filosofie en dat ik daarheen overgeplaatst zou worden. De staf van het seminarie werd gevormd door jonge Spaanse priesters, moderne theologen, en er was een schitterende bibliotheek. ’Misschien zal ik nu de antwoorden op mijn vragen vinden’, dacht ik.
Ik stelde vaak vragen als: „Hoe is het mogelijk dat Maria de moeder van God is?” Maar de leraren hadden weinig belangstelling voor zulke vragen. In plaats daarvan hielden zij zich meer bezig met communistische filosofie. Op een dag ontmoette ik een kardinaal, maar hij was er meer in geïnteresseerd mij over zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog te vertellen dan mijn vragen te beantwoorden.
Na tien jaar seminarieopleiding vroeg ik een jaar verlof om weg te kunnen en mensen te ontmoeten. Ik wilde ervaren hoe het was met mensen over het evangelie te spreken. Al gauw besefte ik dat het kloosterleven mij nooit zou bevredigen en dus besloot ik te vragen van mijn geloften ontslagen te worden. Later trouwde ik met Porfiria, een gewezen non. Wij gingen in de stad Santa Cruz (Bolivia) wonen.
Een ongewone bezoeker
Het jaar daarop zat ik op een dag op de patio, waar de hospita in een met hout gestookte oven brood aan het bakken was. Er kwam een man aan de poort. Ik nam aan dat hij voor haar kwam en riep dus: „Kom binnen!” Hij kwam binnen en ging naast mij zitten. Hoewel hij netjes gekleed was, kon ik zo aan hem zien dat hij van nederige afkomst was. Tot mijn verbazing begon hij met mij over de bijbel te praten.
Later hoorde ik dat de man Adrian Guerra heette en dat hij een van Jehovah’s Getuigen was. Ik had al snel door dat hij niet goed kon lezen. Ik was op mijn hoede voor hem, maar ik was niet bang. ’Per slot van rekening’, dacht ik, ’ken ik Latijn en Grieks. Ik heb theologie gestudeerd en jarenlang gesprekken over filosofie gevoerd met theologen en bisschoppen.’ Ik voelde geen trots, minachtte hem ook niet, maar ik verwachtte eenvoudig niet iets van hem te leren.
Hij vroeg mijn mening over de vraag waarom het kwaad zo toegenomen was in de wereld. Wij praatten daarover en toen vroeg hij of ik hem mijn bijbel wilde laten zien. Enige tijd daarvoor had ik de pas uitgegeven katholieke Biblia de Jerusalén aangeschaft. Hij liet mij Openbaring 12:12 lezen, waar staat: „Maar voor u, aarde en zee, komt er narigheid — want de duivel is woedend tot u neergedaald, wetend dat zijn dagen geteld zijn.”
„Dat slaat toch op de tijd dat de zonde begon?”, wierp ik tegen. Hij liet mij de context, de verzen 7-10 lezen, waar staat dat er in de hemel oorlog uitbrak toen Christus koning werd, met als gevolg dat Satan en zijn engelen naar de aarde werden geslingerd. „De verschrikkelijke toestanden die wij nu zien, zijn het gevolg van de toegenomen woede van de Duivel”, verklaarde Adrian. „Maar wij kunnen blij zijn dat Christus nu koning is en dat de dagen van de Duivel geteld zijn.”
Dat ik dit uit mijn bijbel leerde, fascineerde mij. Maar het verbaasde mij ook dat deze nederige man met die vriendelijke glimlach daar gewoon rustig de Schrift aan mij kon zitten uitleggen.
Mijn dorst naar God gelest
Adrian liet wat lectuur bij mij achter en beloofde terug te komen. Ik was blij met zijn volgende bezoek en begon hem vragen te stellen die mij al zo lang hoofdbrekens hadden bezorgd, zoals: „Hoe kan God een Drieëenheid zijn?” en: „Waarom was Jezus in de hel?” Hij gebruikte een handleiding bij de bijbel getiteld De waarheid die tot eeuwig leven leidt en liet mij de daarin aangehaalde schriftplaatsen die het antwoord waren op mijn vragen uit mijn eigen bijbel voorlezen. Ik voelde me een burro (een ezel of sufferd). Ik kwam te weten dat Gods naam Jahweh of Jehovah is en dat hij geen Drieëenheid is, dat de hel het graf is en Jezus daar gedeelten van drie dagen was zonder enig bewustzijn te bezitten. — Psalm 16:10; Prediker 9:10; Jesaja 42:8.
Ik had in het seminarie vaak vragen gesteld over het hiernamaals en te horen gekregen dat de hemel net een grote kerk is waar allen voor God zullen staan en zullen bidden. ’Wat saai!’, dacht ik. Maar nu mij de bijbelse belofte van eeuwig leven in een aards paradijs werd uitgelegd, werd mijn geloof in Gods liefde voor de mensheid nieuw leven ingeblazen. — Psalm 37:9-11, 39; Openbaring 21:3, 4.
Na enkele bezoekjes nam Adrian op een dag een buitenlander mee, die hij voorstelde als een gemeenteopziener. „U stelt zo veel vragen”, zei hij; „volgens mij zal deze zendeling u veel beter kunnen helpen.” Maar ik mocht Adrian graag en de aanwezigheid van de zendeling maakte mij nerveus. Daarom bleef ik de bijbel met Adrian bestuderen. Ik begon vergaderingen in de Koninkrijkszaal bij te wonen en merkte dat de bijbellezingen heel leerzaam waren.
Het overwinnen van mijn angst
Na verloop van tijd begon Adrian mij aan te moedigen om dat wat ik had geleerd met anderen te delen. Jehovah’s Getuigen worden op hun vergaderingen aangemoedigd van huis tot huis te onderwijzen. Ik ging trouwens beseffen dat het bijbelse thema dat Adrian in het begin met mij had besproken, over de oorzaak van de toename van het kwaad, die maand in 1970 voor Jehovah’s Getuigen in Bolivia het aanbevolen onderwerp voor gesprekken was geweest. Ik zag in dat Adrian door de opleiding die hij ontving beter toegerust was om God te dienen dan ik door mijn opleiding van tien jaar! Toch beangstigde het idee mensen thuis te bezoeken mij. Het was zo anders dan een preek houden voor mensen die naar de kerk komen.
De volgende keer dat Adrian met mij kwam studeren, verborg ik mij in huis en deed net of ik niet thuis was. Hij moet dat hebben vermoed, want hij bleef zeker een half uur geduldig buiten wachten voordat hij vertrok. Maar hij gaf de hoop wat mij betreft niet op; tot mijn verbazing kwam hij de week daarop terug. Geleidelijk werd mijn liefde voor Jehovah sterker en ik overwon mijn angst. In 1973 werden mijn vrouw en ik gedoopt. Porfiria werd pionierster; zij was full-time bezig met het predikingswerk en het leiden van bijbelstudies. Zij bleef dit doen tot op de dag van haar dood, begin 1992.
Adrian werd een vloeiend lezer en ik dien nu al vele jaren als ouderling in de gemeente. Wij prediken beiden nog steeds het goede nieuws van Gods koninkrijk van huis tot huis. Onlangs trof ik een dame die zei: „U had bij de kerk moeten blijven. U had van binnen uit veel goeds tot stand kunnen brengen.”
Ik vroeg haar of zij haar bijbel wilde pakken. Toen zij dat deed, liet ik haar Jeremia 2:13 zien, waarin wordt beschreven hoe Israël Gods Woord verwierp. Er staat: „Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf regenbakken uit te houwen, gebroken regenbakken, die het water niet kunnen houden.”
„Iets soortgelijks is met de kerk gebeurd”, vertelde ik haar. „Proberen de dorst van mensen naar God te lessen met onbijbelse katholieke leerstellingen is te vergelijken met een poging water te verschaffen uit een gebroken regenbak.” Ja, pas toen ik met Jehovah’s Getuigen de bijbel begon te bestuderen, werd mijn dorst naar God gelest. — Verteld door Hugo Durán.
[Illustratie op blz. 15]
Adrian en ik samen de Koninkrijksboodschap predikend